LCGW

Mis niet langer het laatste LCGW nieuws

E-mail: *

:

  • nieuwsbrief algemeen
  • nieuwsbrief noord
  • nieuwsbrief oost
  • nieuwsbrief west
  • nieuwsbrief zuid
  • lcgwcongress



Blog

Ons sociaal domein; dat willen we handhaven! Mee veranderen met een domein in beweging. De decentralisatie van taken binnen het sociale domein naar gemeenten is enigszins afgerond. De gemeenten zijn nu voortvarend aan de slag met het opnieuw inrichten van de sociale omgeving van haar bewoners. Het toezicht en de handhaving waren in het begin wat onderbelicht, maar zijn minstens zo belangrijk voor de naleving van de afspraken. Het VNG Kenniscentrum Handhaving en Naleving ondersteunt gemeenten en organisaties bij de inrichting van toezicht en handhaving en beantwoordt alle vragen. Daarnaast wordt jaarlijks met betrokken partners een congres georganiseerd om verbindingen te leggen en alle deelnemers te informeren over nieuwe ontwikkelingen, zoals op 31 oktober 2017 in ’s-Hertogenbosch.

Zelf mocht ik, tijdens dit geweldige congres, de workshop over de nieuwe wet Harmonisatie Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk geven. Door de harmonisatie bestaan er vanaf 2018 geen peuterspeelzalen meer. De gemeenten zullen vanaf 2018 alleen afspraken met kinderopvangorganisaties maken voor het uitvoeren van het onderwijsachterstandenbeleid en het nakomen van de bestuursafspraken over het bereik van kinderen waarvan de ouders niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag.

De gemeente kiest ervoor of zij het aanbod van de kinderopvangorganisaties inkoopt of subsidieert. Het lijkt een overzichtelijke keuze maar tijdens de workshop bleek dat het niet zo eenvoudig is. Of je nu werkzaam ben bij de gemeente of bij de GGD de wirwar van regels vraagt om goed inzicht om te begrijpen waar de antwoorden op alle vragen liggen. Dit werd duidelijk toen casussen werden besproken.

De gemeente heeft vanuit het sociale domein de opdracht om te kijken naar de werkelijke situatie van, bijvoorbeeld, een gezin. Als het wenselijk is dat kinderen naar een kinderopvangorganisatie gaan, zowel in het belang van de kinderen als van de ouders, moet de gemeente bepalen onder welke regeling dit mogelijk is. Of er zijn kinderen die in Duitsland wonen maar in Nederland naar de kinderopvang gaan. Betaalt de gemeente dit en uit welke regeling?

Het is bekend dat er verschillende wetten en regelingen zijn voor kinderen van 0 tot 4 jaar. Elke wet of regeling heeft zijn eigen kenmerken die de verdeling van de middelen over de gemeenten bepalen. De verantwoording van de middelen is per regeling verschillend. De ene keer moet de gemeente aan het rijk verantwoorden waar het geld aan besteed wordt. Voor de andere regeling is dit niet nodig, maar wordt om de 2 jaar een monitor gehouden of het doel van de regeling gehaald is. Vervolgens moet de gemeente kijken of kinderen onder kinderopvangtoeslag vallen. In dit geval heeft de gemeente geen verantwoordelijkheid, tenzij de kinderen een indicatie hebben voor de voorschoolse educatie of niet naar een kinderopvangorganisaties gaan. De gemeente is in ieder geval verantwoordelijk voor de kinderen die niet naar de kinderopvang gaan vanuit de bestuursafspraken van de wet Harmonisatie. In de workshop werd niet alleen over deze zaken gesproken, maar ook over de kosten van de opvang die wel en niet door de gemeenten gefinancierd mogen worden en welke juridische regels daarbij gelden.

Voor toezicht en handhaving ontstaat meer overzicht omdat alleen kinderopvangorganisaties gecontroleerd worden. De GGD hoeft vanaf 1 januari 2018 geen verschil meer te maken tussen kinderopvangorganisaties en peuterspeelzalen. Er zijn wel wijzigingen en aanscherpingen van eisen door de wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang. Toch blijft er verschil tussen het toezicht op het reguliere aanbod van de kinderopvang en het aanbod van voorschoolse educatie. De GGD en de onderwijsinspectie zullen samen afspraken maken wie waar op let.

Het congres maakte duidelijk dat het heel goed is om elkaar op zo’n dag te spreken. Aan de ene kant is het waardevol om informatie te delen en verbindingen te leggen tussen partners. Aan de andere kant is het belangrijk te zien dat de wirwar van regels voor het aanbod aan de jongste kinderen op termijn vragen om een heroverweging. Zou het niet beter zijn als alle regelingen en wetten samengevoegd worden? Als alle budgetten bij elkaar worden opgeteld, zou een mooi aanbod voor alle jonge kinderen gerealiseerd kunnen worden. De gemeenten kunnen een kwalitatief aanbod door de kinderopvang laten ontwikkelen. De GGD heeft 1 kader voor de kinderopvangorganisaties om het kwalitatief aanbod te controleren, te behouden en te laten naleven.

Op naar het congres in 2019!

 

Petra Raaijen

Senior Beleidsadviseur Onderwijs

Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)

Ik ben voor Stapsgewijze en Systematische verbetering van het Sociaal Domein  Ja, ik kies positie. Ik sta er voor dat het Sociaal Domein de komende raadsperiode op orde komt.  Daarom kies ik voor de drie stappen om verbeterde samenwerking tussen instellingen onderling en gemeente te komen.

1.       Start met concrete oplossingen voor concrete problemen ván de cliënt
We starten met het ‘laaghangende fruit’, de vraagstukken waarvan eigenlijk iedereen weet dat ze relatief makkelijk kunnen worden opgelost. Met het ‘koppelzone’-concept worden concrete klachten vertaald in een gezonde ‘business case’ en een werkende praktijk. Daarna gaan we verder met wicked problems.
 

2.       Start de systematische verbetering van de keten voor ‘morgen en overmorgen’
De essentie van de Koppelzone is dat het altijd beter kan. De ‘spelers’ stellen elkaar de simpele vraag: ‘Hoe gaan wij hier eigenlijk met elkaar om?’  We proberen de antwoorden uit.  De focus verschuift naar het systematisch organiseren van samenwerking gericht op oplossing van de problemen van ‘vandaag’ en het aanpakken van de uitdagingen van ‘morgen en overmorgen’.  Als Anja het resultaat merkt leggen we de nieuwe verbeterde samenwerking vast.
 

3.       Bouw mee aan standaarden voor samenwerking tussen verschillende instellingen.
De organisaties die in een keten moeten samenwerken hebben een verschillende achtergrond, vakdiscipline, cultuur, procedures e.d. Het zou een wonder zijn als ze als vanzelf elkaar allemaal zouden begrijpen. Door te werken aan concrete oplossingen in de koppelzone en te werken aan afspraken komen we samen tot nieuwe standaarden. Dit is de oplossing voor de nabije toekomst.

Ik druk nu op de KNOP VOOR ANJA en ik verklaar daarmee aan: - Mijn kiezers: u kunt er van op aan dat ik in de komende Raadsperiode me sterk maak voor een verbeterd Sociaal Domein.  Ik zet me in  voor de drie stappen voor verbetering.

Estamos aqui para ayudarles (We zijn er om jullie te helpen.) Dit hebben wij de laatste twee dagen tijdens ons bezoek aan Costa Rica vaak gehoord. Costa Rica is voor ons een speciaal land. We hebben er gewoond en onze twee jongens zijn er geboren. Ze hebben daardoor twee nationaliteiten, van Nederland en van Costa Rica. Onze oudste ging op zijn eerste verjaardag naar een erg leuk schooltje voor gelijk 5 ochtenden per week. We hebben er bijna 3 jaar gewoond met de belofte om ooit terug te gaan om onze zonen hun prachtige geboorteland te laten zien.

Het heeft even geduurd maar eindelijk was het zover. Vanuit Nicaragua, waar mijn vrienden een mooi vakantiepark hebben bij (http://villasvistamasaya.com/) , vertrokken we voor een week naar Costa Rica. Wat was het emotioneel om het geboorteland van onze zonen terug te zien. We hebben het gebied van de Arenal bezocht, een mooi natuurgebied met een indrukwekkende vulkaan. Na deze week zouden we weer terug gaan naar Nicaragua om vervolgens door te vliegen naar Nederland. Maar dat pakte anders uit waarbij bij ons 2 keer de moed in de schoenen zakte.

Costa Rica heeft een strenge wet als het gaat om het reizen met minderjarigen. Kinderen tot 18 jaar worden in Costa Rica heel goed beschermd. In de regio is het grootste gevaar voor kinderen de illegale adoptie, drugs- en alcoholmisbruik en orgaanhandel. De kinderen van Costa Rica mogen het land daarom niet verlaten zonder toestemming van de overheid. Deze toestemming wordt pas verleend als de wettelijke vader en moeder mee gaan of een van de ouders toestemming geeft dat de andere ouder de kinderen het land uit neemt. Dit wordt heel goed gecontroleerd bij de grens.

Ook wij werden op het vliegveld gecontroleerd omdat in beide paspoorten van onze jongens staat dat ze in Costa Rica zijn geboren. We moesten naar de migracion de menores  en kwamen daarmee terecht in de Costa Ricaanse regels van deze strenge wet. Dit had tot gevolg dat onze zonen niet het land uit mochten omdat hun vader niet van te voren toestemming had gegeven dat ik met de jongens Costa Rica mocht verlaten. We zaten vast, zonder te weten hoe we hier uit moesten komen.

Via de grootouders kregen we na lange en moeilijke tijd eindelijk contact met hun vader. Hij werkt bij de Nederlandse ambassade in Ethiopië. Hij heeft gelijk contact opgenomen met de ambassade van Costa Rica in Nederland. Door middel van een mail en formulieren gaf hij toestemming om Costa Rica te verlaten. Met goede moed probeerden we opnieuw Costa Rica uit te reizen, maar zonder succes. De vader moet persoonlijk bij een consulaat of ambassade laten weten dat hij toestemming geeft, maar in Ethiopië is geen vertegenwoordiging van Costa Rica.

Opnieuw stonden we voor het blok en konden geen vliegtuig nemen om naar Nicaragua en Nederland te reizen. En op dat moment maakten we kennis met de Costa Ricaanse mentaliteit van Estamos aqui para ayudarles. Het begon met de medewerker en de consul van de ambassade van Costa Rica in Nederland. De consul heeft lange tijd met doña Adita van de migracion de menores van het vliegveld gebeld om samen een oplossing te bedenken. Dit leidde tot een 5 stappenplan met als laatste etappe een bezoek aan het ministerie van Jeugd.

We vonden in Alajuela een vriendelijke taxichauffeur die ons naar alle instanties bracht en uitzocht bij wie we moesten zijn. Dat scheelde ons heel veel zoeken naar adressen. De medewerkster van de Tribunal Suprema de Elecciones bedacht hoe ze in deze gecompliceerde zaak een tarjeta de identidad de menores de edad voor beide jongens kon maken zonder een vast adres in Costa Rica. Na het volgende bezoek aan de vliegtuigmaatschappij kwamen we bij het ministerie PANI in San José.

Het eerste wat verteld werd, was dat het ongeveer 10 dagen zou duren voordat ze een document konden maken. Maar zoveel tijd en geld hebben we niet. Wederom werd gezegd:  Estamos aqui para ayudarles. Het bleek dat Doña Adita contact had gehad met Licenciada Maraya van het ministerie over onze zaak. Dat maakte het al iets makkelijker. Maar de medewerking van Don Badilla was echt fantastisch. We hebben samen met hem gegevens verzameld waarom wij niet in Costa Rica kunnen blijven en wij een leven in Nederland hebben. Don Badilla heeft een duidelijke brief met goede argumenten geschreven zowel uit naam van de jongens als van mij als moeder. Ook de mail en de formulieren van hun vader en de hulp van Licenciada Maraya leidden er toe dat we niet 10 dagen, maar dezelfde dag een handtekening hadden. Met dit document kon Doña Adita voor ons in het systeem regelen dat we tot 31 augustus de tijd hebben om Costa Rica te verlaten. Met grote opluchting kunnen we nu zeggen dat we op 12 augustus veilig op Schiphol landden.

Wij zouden het echt niet gered hebben zonder de geweldige medewerking van deze Costa Ricaanse functionarissen. Maar ook van de buurman van het hotel die speciaal voor ons heerlijk eten maakten in zijn eigen keuken of de vriendelijke vrouwelijke taxichauffeur die ons liet zien hoe gezellig het centrum van Alajuela is. En allemaal met de instelling: Estamos aqui para ayudarles. Onze jongens hebben zich tijdens het gehele proces gesteund en geaccepteerd gevoeld door de Costa Ricanen.

Ik kan dit niet zeggen van de medewerkers van de Nederlandse ambassade in San José, Costa Rica. Tot 3 keer toe moesten wij horen dat zij ons, Nederlanders in het buitenland die geen kant op kunnen, niet konden helpen om een oplossing te bedenken. Er was geen personeel of budget beschikbaar om ons te ondersteunen bij het gesprek met het ministerie. Ook wilden ze zich niet mengen in een Costa Ricaanse aangelegenheid, terwijl mijn jongens ook Nederlands zijn. Na afloop bleek dat de Nederlandse diplomatieke wereld in Afrika en Latijns Amerika op de hoogte was van onze situatie. Maar niemand stook een hand uit of wilde naar ons luisteren.

Wat moet ik onze jongens leren? Je wordt meer geaccepteerd en geholpen door een land waar alleen je wiegje stond dan door het land van je ouders en waar je opgroeit?

Petra Raaijen

Noord Groningen is een van de proeftuinen Kindcentra van de VNG. Deze proeftuin bestaat uit 7 gemeenten, te weten: Bedum, De Marne, Winsum, Eemsmond, Loppersum, Appingedam en Delfzijl. Deze gemeenten zijn samen 1 proeftuin vanwege verschillende redenen. De ene reden is dat Bedum, De Marne, Winsum en Eemsmond per 1 januari 2019 de gemeente Het Hogeland zullen vormen. De gemeenten Loppersum, Appingedam en Delfzijl zullen nog niet gefuseerd, maar werken ambtelijk veel samen op verschillende beleidsterreinen. Op het terrein van de ontwikkeling van Kindcentrum zijn de 7 gemeenten verenigd in het platform Kindcentrum Noord Groningen.

De andere reden is dat het gehele agrarische plattelandsgebied zich kenmerkt door veel kleine kernen, krimp, ontgroening, aardbevingen, werkeloosheid en veel gebruik van jeugdzorg.  De vroeg signalering is in dit gebied belangrijk om te doorbreken dat generatie na generatie de mensen in dezelfde achterstandspositie blijven. De integrale en intensieve samenwerking tussen onderwijs, opvang en zorg is een belangrijke voorwaarde.

Tijdens het werkbezoek van de VNG aan dit gebied uitte de wethouder van Eemsmond de wens om de samenwerking tussen opvang en onderwijs zo in te richten dat het voldoet aan de levensfasen van de kinderen in de dorpen van het uitgestrekte gebied van het noorden van de provincie Groningen. De wethouder wil namelijk voorkomen dat kinderen die nu in aanmerking komen voor speciaal onderwijs een uur in een busje reizen naar het speciaal onderwijs in Haren. Dit is een te grote opgave voor de kinderen. Zijn idee is om in alle dorpen een voorziening van opvang en onderwijs te realiseren voor kinderen van 0 tot 9 jaar. Het gaat bijvoorbeeld om dorpen zoals Roodeschool, Pieterburen en Kloosterburen. De kinderen kunnen in hun eigen omgeving opgroeien tot ze er aan toe zijn om zelfstandig naar grote dorpen in de omgeving te reizen, zoals naar Winsum of Uithuizen.

In deze grotere dorpen zouden de partijen voorzieningen van onderwijs en opvang kunnen ontwikkelen voor kinderen van 0 tot 14 jaar. De kinderen groeien ook op in hun eigen omgeving en de kinderen uit de kleinere dorpen kunnen al wennen om verder te reizen voor het onderwijs. Er is bewust een keuze gemaakt tot 14 jaar omdat het voortgezet onderwijs zelf gesignaleerd heeft dat het voor kinderen van 12 jaar een grote stap is om van een klein dorp met het openbaar vervoer naar Groningen te reizen. Het gevolg is nu dat er dure schoolbusjes rondrijden en de kinderen de hele dag van huis zijn.

Deze gedachte houdt rekening met de levensfase van de kinderen en het gebied waar de kinderen in opgroeien. De wethouder hoopt hiermee te voldoen aan de vraag van de ouders om de leefbaarheid in de dorpen te behouden en de kinderen vroegtijdig in eigen omgeving op te vangen als dat nodig is.

Dit is een idee die past bij plattelandsgebieden (met krimp). In deze gebieden zijn de afstanden tussen de voorzieningen groot en is het haast onmogelijk om op centrale plaatsen kindcentra te ontwikkelen voor 0 t/m 12 jaar waarin opvang en onderwijs in een gebouw gehuisvest zijn. 

Voordat dit gerealiseerd is in Noord Groningen, zal er een proces gestart moeten worden waarbij schoolbesturen, opvangorganisaties, jeugdzorg en gemeenten gezamenlijk deze uitdaging aan willen gaan. Het is voor Noord Groningen, de VNG en het LCGW interessant of in andere gebieden van Nederland vergelijkbare ideeën zijn of al zijn gerealiseerd.

Wil je ook eens op werkbezoek bij een andere gemeente? Of deelnemer aan een congres bij een collega gemeente. LCGW organiseert samen met VNG na de zomer een aantal regionale bijeenkomsten over nieuwe vormen van kindcentra. Meld je aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte. klik hier: aanmelden nieuwsbrief

Donderdagochtend 6:45: Ik stap in de auto om een uurtje later in Brussel deel te gaan nemen aan een ESN bijeenkomst. ESN heeft haar ledenbijeenkomst, waarbij aandacht besteed wordt aan inclusie, participatie en good practices, maar tevens aandacht is voor ESN als vereniging. Hoe zien de leden de toekomst van ESN?

Dat uurtje reistijd blijkt iets te optimistisch…… Antwerpen staat compleet vast – dus in plaats van de geplande aankomsttijd van 8.00 stap ik om 10.00 de conferentieruimte binnen. ZUCHT……

Wat een ellende die rondweg Antwerpen… toch de trein moeten nemen.

Afijn – De sprekers die de 1e dag hun kennis en ervaring delen zijn inspirerend, divers en vooral betrokken. Altijd weer bijzonder om te zien dat in zoveel landen dezelfde ontwikkelingen spelen – het sociaal domein in Europa beweegt – onder het juk van bezuinigingen – onder het motto van “zelfredzaamheid, participatie, eigen regie, clientbetrokkenenheid” enz.. Of er nu voorbeelden passeren uit Italie, Finland, Spanje of Belgie – overal hoor je dezelfde taal en beweging. Wat kunnen we van elkaar leren en hoe kunnen we elkaar helpen…

De 2e dag staat in het teken van ESN als vereniging en organisatie. Is ESN wel levensvatbaar in een periode waarin Europa onder vuur ligt? Wat willen en verwachten de leden van ESN, waar komen de financien vandaan, wat halen de leden uit ESN. Ook dit geeft weer interessante discussie – maar ik zie ook mensen afhaken. Waar komt men voor: voor de inhoud. Dat is ook wat ESN kan leveren – uitwisselen van ervaringen, van goede voorbeelden, samen sparren over hoe zaken aan te pakken en vooral van elkaar te leren. De analogie met het LCGW flitst door mijn hoofd.

Vrijdagmiddag 13:00 is de bijeenkomst afgelopen. Ik duik nog snel even Brussel in om wat Belgische chocolaatjes te kopen voor het thuisfront… altijd welkom. Om 15:00 stap ik weer de auto in – en jawel hoor – in een uurtje weer thuis…. Het kan dus wel J

En thuis ligt het 1e verzoek al in de mailbox. Of ik iemand ken die op een congres in Spanje iets kan vertellen over de relatie participatie en welzijn. En ja hoor… dat weet ik wel. Het resultaat is dat een (Spaanstalige!) collega van een gerelateerde organisatie in juni in Pamplona een aantal voorbeelden uit onze regio daar gaat presenteren en toelichten. Hoe klein de (Europese) wereld kan zijn…

Dat was de reistijd toch wel weer waard….

Wil je ook eens een kijkje nemen in een ander land. LCGW organiseert studiereizen in Europa. Zo gaan we binnenkort naar Childfriendly city of Leeds. Meld je aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte. klik hier: aanmelden nieuwsbrief

De 5 partijen (VNG, PO-raad, Sociaal Werk Nederland, Brancheorganisatie Kinderopvang, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang) hebben op 3 april ’17 het pamflet voor een ontwikkelingsrecht van 16 uur voor alle kinderen van 0 t/m 4 in Nederland aangeboden aan de SER. In het pleidooi van iedere partij werd een lans gebroken voor de regierol van de gemeente.

De gemeente is dé partij die het lokale veld kent, die weet wat de maatschappelijke opgave is en de uitvoerende partijen aan tafel kan roepen. De gemeente kent haar belangrijke taak in het sociaal domein en met name de verantwoordelijkheid van de jeugdzorg. Alle partijen roepen de gemeente op om de regierol op zich te nemen voor het (door) ontwikkelen van een kindcentrum als belangrijk middel voor de jeugdzorg. De gemeente heeft geen beslissende rol, maar neemt de regie.

De regie om samen met onderwijs, opvang en zorg de handen ineen te slaan om voor alle jonge kinderen in Nederland een goed, passend, inclusief aanbod aan te bieden binnen 1 organisatie met o.a. 1 inspectie. Maar ook om de ouders rust geven door werk en opvang te kunnen combineren, zonder dat de ouders vele kilometers moeten afleggen om de kinderen op zijn of haar plaats te brengen. Een inclusieve verbinding tussen onderwijs en opvang geeft ouders de mogelijkheid om te werken, mee te doen aan het arbeidsproces. Dit wordt zowel in het SER-advies als in de adviezen van Taskorce genoemd.

Sociaal Werk Nederland pleit er voor dat de kinderen in de achterstandswijken of met een taal achterstand gebaat zijn bij een inclusieve aanpak van onderwijs en opvang. Daarbij wordt ook naar de gemeente gekeken vanwege de voor- en vroegschoolse educatie en de jeugdzorg. Maar de partijen willen verder gaan. Niet alleen voor kinderen met een achterstand, maar juist voor alle kinderen. Laat kinderen met elkaar spelen en leren, ook de kinderen van vluchtelingen. Het moet niet uitmaken waar je woont of dat je ouders wel of niet werken.

De periode van experimenteren is voorbij. De drempels voor een inclusieve verbinding tussen onderwijs en opvang moeten geslecht worden, geen schotten meer tussen beleidsterreinen en organisaties. Maak de weg vrij voor 16 uur ontwikkelrecht voor alle kinderen van 0 tot 4 jaar.

De proeftuinen Kindcentra van de VNG worden door de 4 partijen, de SER en de Taskforce genoemd als de plek om de regierol van de gemeente verder uit te onderzoeken. 

 

Petra Raaijen,

VNG

Dit jaar organiseerde het LCGW (het gemeentelijk netwerk in het sociaal domein) een rondtrekkend festival. Met collega’s onder elkaar wisselden we concrete pilots en innovatieve projecten uit. Projecten en pilots die naar onze bescheiden mening de essentie van transitie en transformatie laten zien. We deden dat onder de titel “geluk”:  wat dragen we met deze projecten bij aan het geluk van onze inwoners. Daarmee ontkwamen we niet aan ons eigen geluk. Alleen gelukkige medewerkers kunnen een bijdrage leveren aan het geluk van anderen.

Het festival startte in ’s-Hertogenbosch. In een oude voederfabriek aan de Tramkade was er voor de deelnemers keus genoeg om een op de eigen persoon toegesneden en passend programma samen te stellen. Daarna gingen we in bussen naar de volgende festival locatie.

Mijn bus zou een tussenstop in Breda maken. Met een uur vertraging kwamen we bij de juiste locatie, zorgcentrum Heksenwiel, waar we uitleg zouden krijgen over Zorg voor Elkaar Breda. We werden snel aan tafel gebracht. Snel, snel het eten wordt koud.

Daar werden we vriendelijk door de deelnemers opgewacht. De mensen hadden ruim een uur op ons zitten te wachten. Van enige irritatie was niets te merken: Brabantse gemoedelijkheid…. Sterker nog, de gastheer maakte excuses dat de wethouder inmiddels weg, omdat ze nog een lezing moest geven die avond. Natuurlijk heel begrijpelijk als je een uur te laat komt. Super was dat dezelfde wethouder wel zorgde dat de lezing gepresenteerd werd. Heel bijzonder daarbij was dat de presentatie gebeurde door de bestuurder van de instelling. Typerend voor het vertrouwen en gelijkheid dat er in dit prachtige project heerst. Een voorbeeld van transformatie waar we naar op zoek zijn.

Maar er kwamen nog meer aangename verrassingen. Zoals gezegd stond het eten klaar. Maar ook zaten de mensen al klaar. En wel op een bijzondere manier. Over de tafels verspreid zaten deelnemers, vrijwilligers, inwoners, bestuur en professionals. Na de korte introductie namens de wethouder, vertelden de mensen aan tafel het verhaal. Zo ontstond een prachtig beeld van Zorg voor Elkaar Breda. Iedereen deelde zijn inzicht naar eigen beleving. Maar ook wij kregen antwoorden op onze vragen en onze beleving. Een zeldzaam mooie manier van een project laten zien. Een paar dingen die ikzelf bijzonder vond om te horen was het vertrouwen tussen gemeente en instellingen – op basis van vertrouwen samen de transformatiereis maken… Bijzonder. Ook de bevlogenheid van de vrijwilligers was echt mooi om te zien. Ze haalden ook alles uit de kast om ons, deels van boven de rivieren, te laten zien wat Zorg voor Elkaar Breda uniek maakt. De inzet, het samenspel tussen gemeente en instellingen, het samenspel tussen vrijwilligers en betaalde krachten en vooral de positieve visie op en betrokkenheid van inwoners. Een mooi voorbeeld van tranformatie waar anderen van kunnen leren.

In de bus naar Schouwen-Duiveland werd nog lang nagepraat over dit prachtige project. Hartelijk dank voor de warme gastvrije ontvangst.

Een paar jaar geleden stelden we samen het manifest “Petje af voor de burger op”. Centrale vraag daarbij was: “Hoe realiseer je duurzame verandering?”  Met de ’10 punten van het manifest’ in het achterhoofd maken we kennis met de mogelijkheden van duurzame verandering. Het doel: anderen laten organiseren, faciliteren en ook fouten durven te maken. Leuk zo’n strategie, maar dragen we daarmee ook bij aan het geluk van onze inwoners?

Sinds een aantal jaar is er bij de overheid en gemeenten de noodzaak om organisaties, processen en functies opnieuw vorm te geven. Maar hoe wordt deze gedaanteverwisseling gerealiseerd in een wereld waarin de context steeds veranderd? Veel aandacht gaat daarbij uit naar instrumenten. Er is echter nauwelijks aandacht voor de noodzakelijke gedragsveranderingen. Een groot gemis.

Strategie vs. Praktijk
Veel organisaties worstelen met het probleem, dat er weinig relatie is tussen de strategische keuzes enerzijds en weerbarstigheden in de dagelijkse praktijk anderzijds. Dit betekent dat veel managers moeilijk in staat zijn om hun visies en doelstellingen daadwerkelijk gerealiseerd te krijgen. Strategisch beleid blijft dan steken in enkel mooie woorden. De waan van de dag maakt het bijna onmogelijk om nieuwe richtingen daadwerkelijk in te slaan.

Realisatie van transformatie
Kortom, het is belangrijk om breder te kijken: wat heb je nodig om de transformatie te realiseren binnen je organisatie? Durf jij je kwetsbaar op te stellen en de uitdaging aan te gaan om nieuw beleid te organiseren? Tijdens het LCGW festival maak je kennis met een totaal nieuwe visie op de samenleving, organiseren en evalueren. Ontdek je nieuwe strategieën waarmee je een toegevoegde waarde kunt leveren en resultaat boekt voor burger en bestuur.

LCGW-festival
Het LCGW organiseert verschillende workshops waarin u onder andere handvatten krijgt aangereikt om een nieuw beleid te organiseren binnen uw organisatie. Tijdens het congres laten we u kennismaken met de koplopers uit het sociaal ondernemerschap. Samen komen we tot oplossingen voor uw werkterrein, of dat nu jeugdzorg, (burger)participatie of de WMO is. Meld je nu aan voor het festival, van de zachte G naar de zoute Zee.

 

Lees meer over het LCGW-festival

Wat is nu mooier als kleine kinderen samen spelen? Het maakt niet uit of je een jongetje of een meisje bent, of waar je ouders vandaan komen en in welke wijk je woont. Dat is helemaal niet belangrijk als je samen in de zandbak speelt, met puzzels bezig bent of naar een mooi verhaal luistert. Spelend leren is de basis om kinderen samen te laten opgroeien in een inspirerende omgeving. Vroeger was dat op straat, waar moeders op elkaars kinderen letten. En als kinderen iets deed verkeerd deed, konden ze erop rekenen dat ze bij hun lurven werden gepakt. Of dit de juiste methode was, is een discussie die op deze plek niet thuis hoort.

Meer vrouwen zijn gaan werken. Kinderen worden opgevangen in peuterspeelzalen (zolang deze nog bestaan) en kinderopvang. De laatste jaren is veel geïnvesteerd in het opleiden van leidsters en pedagogisch medewerkers. Ook worden verbindingen gelegd met professionals in de jeugdzorg en de jeugdgezondheidszorg. Er is steeds meer bekend over de ontwikkeling van kinderen. Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. Alle professionals willen het beste voor kinderen. Daarom is de samenwerking tussen professionals belangrijk, bijvoorbeeld in een integraal en inclusief kindcentrum. Laat deze samenwerking ten goede komen aan de ontwikkeling van kinderen. Voorkom dat op die leeftijd al labels worden opgeplakt waar kinderen nooit meer vanaf komen. Maar ga mee in de onbevangenheid van de kinderen en maak ook geen onderscheid tussen de kinderen dat de kinderen op jonge leeftijd zelf ook niet maken.

Kom naar het festival en leer hoe je zonder vooroordelen naar de talenten van mensen kunt kijken. Raak je vooroordelen kwijt en geniet van de inspirerende omgeving van het festival.

 

Petra Raaijen

Beleidsadviseur VNG en gemeente Eemsmond

Beste collega’s,

We kantelen (en soms rollebollen) wat af deze periode. De transformatie krijgt steeds meer concrete vormen en verschillende innovatieve projecten en pilots zien het licht. Het besef dat de transitie en transformatie niet alleen is voorbehouden voor het sociaal domein wint, o.a. door de invoering van de omgevingswet, steeds meer terrein. Het LCGW heeft hierin nooit sturend willen zijn, maar heeft u als betrokkene en geïnteresseerde een platform willen bieden om kennis en ervaringen te delen en u te inspireren om soms ongebaande paden te betreden en te verkennen.

Ik nodig u van harte uit om op 16 en 17 maart deel te nemen aan ons “Festival van de zachte G naar de zoute Zee”, van Den Bosch naar Schouwen Duivenland. Tijdens het festival kunt u zich laten inspireren door verschillende gerenommeerde sprekers rondom het thema geluk en hun visie hoe je dat wat dichter bij de realiteit zou kunnen brengen. Daarnaast zijn er weer talloze workshops en deelsessies waarbij aan de hand van een voorbeeld of een methodiek, ook uw inbreng en input op prijs wordt gesteld. U hebt keus genoeg om een op de eigen persoon toegesneden en passend programma samen te stellen, waarin u kunt halen en brengen!

We beginnen ons festival zoals gezegd in Den Bosch een prachtige stad waarin de transformatie in het sociaal domein en die van de ruimtelijke ordening hand in hand is opgepakt in de Tramkade. Het resultaat is verbluffend; een plek met een enorme aantrekkingskracht op trendsetters. Deze dag zullen verschillende inleiders u inspireren rondom het centrale thema van dit festival:  “geluk” in een poging wat meer greep te krijgen op dit fluïde, maar voor iedereen belangrijke thema. Verder staat deze eerste dag in het teken van labels, etiketjes of, zo u wil, hokjes. Leidraad is dat dit niet werkt. Hoe het wel kan, daarvoor krijgt u deze eerste dag verschillende mogelijkheden aangereikt en kunt u zelf uw ideeën inbrengen.

Vervolgens gaan wij per bus naar de zoute zee van Schouwen-Duiveland. Iedere bus kent zijn eigen programma en ook daar geldt dus dat u uw eigen verkenningstocht samenstelt.

De tweede dag staat in het teken van het World-Happiness Report en hoe wij ook vanuit gemeentelijk beleid een bijdrage kunnen leveren aan een toenemend welbevinden van onze inwoners. Een belangrijke rol is deze dag weggelegd voor de Erasmus Happiness Economics Research Organisation (EHERO), onderdeel van de Erasmus Universiteit van Rotterdam. Ook op deze dag bepaalt u zelf waar u kennis en inspiratie wilt opdoen of waar u verbinding zoekt met toepassingen in de praktijk.

Samen met vele vrijwilligers en met behulp van de belangrijke bijdrage van onze gastgemeenten Den Bosch en Schouwen-Duiveland kunnen wij u een boeiend festival aanbieden, die meer dan de moeite waard is.

Ik hoop u op 16 en 17 maart te ontmoeten in onze reis van de zachte G, naar de zoute zee!

 

Henk Kosmeijer,

Voorzitter LCGW

Hans Becker, bekende vernieuwer van de ouderenzorg en auteur van “Verboden af te blijven” is slotspreker van het LCGW geluksfestival 2017. In zijn zorgfilosofie, past er best een wijntje in het verzorgingshuis. Met het inrichten van een herinneringsmuseum laat hij de levenskunst prevaleren boven de systeemwereld. “Het is de kunst om de systeemwereld anders te benaderen, op een wijze dat bewoners zich prettiger, sterker en krachtiger voelen”.  

Momenteel is hij bezig een ouderenzorginstelling te kopen waarin dit geluksmodel wederom een plek krijgt. “Ik zit midden in de aanschaf van een oud, klassiek bejaardenhuis op Rozenburg, tegenover Maassluis’’.

Geluksvisie
“Het gaat om de vraag hoe je menselijk geluk bevordert bij iedereen die woont en werkt binnen de leefwereld van de zorginstellingen. Met die visie heb ik jarenlang gewerkt tot ik met pensioen moest”.  Het gaat me om de tevredenheid van de inwoners. En ik denk dat dat niets te maken heeft met de ziekenhuiszaken waar de inspectie op beoordeelt.’

Ik ben wat je tegenwoordig noemt een maatschappelijke ondernemer. Mijn doel is om weer ouderenzorg te gaan bieden op basis van mijn geluksmodel. Het model wat onder andere in China heel populair is. Dat betekent eigen regie, eigen actieve inbreng, een positieve sfeer (ja-cultuur) en een familiegevoel.

Familliegevoel
In Rozenburg komt weer een herinneringsmuseum, een kunstatelier en een bibliotheek. En natuurlijk komt er een restaurant. Bewoners kunnen er een wijntje drinken en een slibtongetje eten in het restaurant.  En er gaat flink geknuffeld worden, onder andere met knuffeldieren. Huisdieren zijn welkom zowel van de inwoners als bezoekers. En het wordt een gemengd huis. Met zieke mensen en niet zieke mensen. Ook echtparen van wie de één geheugenverlies heeft en de andere niet zijn welkom. Uitgangspunt is hoe jezelf benaderd wilt worden. Vraag een arts niet wat hij aanbeveelt, maar wat hij zou doen als het om zijn moeder gaat. Zou mijn moeder zich prettig voelen als zij als een object van para-medisch handelen wordt gezien?

Financiële bril
Als het financieel tegenzit sneuvelen de prettige dingen zoals een restaurant en andere geluksbevorderende zaken. Alsof besturen alleen maar bezuinigen zou zijn. We zien dat ook bij de overheid dat zonder visie bezuinigd wordt. Instellingen worden gesloopt zonder dat de zorg thuis op orde is. Dit is het dilemma van de ouderwetse zorg, We kunnen de euro maar een keer uitgeven, moet het geld naar zorg of naar welbevinden. Nog steeds lijkt het erop dat zorg wint. Ook de Inspectie kijkt alleen maar naar medische zaken. Alsof geluk afhankelijk is van of er wel een thermometer in de ijskast ligt of dat er een papiertje op het toilet hangt waarop staat hoe vaak er is schoongemaakt.

Leefkwaliteit en kosten
Mijn ervaring is inmiddels dat meer leefkwaliteit de bekostigingsstructuur van de zorg niet op zijn kop zet. Mijn geluksaanpak die ik beproeft heb bij Humanitas is niet duurder gebleken. Je moet het zo leuk maken dat mensen minder klagen. Dan maken ze minder gebruik van dure zorgvragen. Sterker nog ze worden zelf actief, de familie gaat mee helpen en andere vrijwilligers komen ook graag. Zo ontstaat een familiegevoel. Uiteindelijk wordt het daarmee goedkoper. Maar het belangrijkste blijft natuurlijk dat het veel leuker wordt met elkaar.

Spiegel
Als slotspreker geeft Becker de deelnemers van het geluksfestival graag wat extra bagage mee  naar huis. Met een aantal stellingen houdt hij ons een spiegel voor. Hij gaat onder meer in op  ‘te veel zorg is erger dan te weinig zorg’. Wees erbij op 16 en 17 maart voor zijn complete inspirerende verhaal!

meld je nu aan

Margriet Sitskoorn

Margriet Sitskoorn, hoogleraar Klinische Neuropsychologie aan de Universiteit van Tilburg, betoogt dat gedrag en omgeving van invloed zijn op onze hersenen. We kunnen die trainen zodat we succesvol worden.

De wereld verandert voortdurend, wordt complexer en er is meer onzekerheid. Internet en de constante stroom aan informatie zijn daarin belangrijke oorzaken. Er is onderzoek gedaan naar welke vaardigheden we nodig hebben om in deze wereld succesvol te zijn. Dat zijn onder meer: het kunnen richten van aandacht, het gebruiken van je werkgeheugen en het kunnen onderdrukken van ongewenst gedrag.

Ook zijn er bepaalde eigenschappen gerelateerd aan succes: zelfcontrole, energie, dankbaarheid, nieuwsgierigheid, spiritueel zijn, gevoel voor humor… Mensen die deze vaardigheden minder ontwikkeld hebben, redden het moeilijk in de wereld waarin we nu leven.

Onze hersenen slaan herhaalde ervaringen op als wetmatigheid en geven daarop een automatische reactie. Als je eten ziet wil je eten. De kunst is om rust te nemen en een niet-automatische respons te geven op ‘stimuli’ uit de omgeving.  De omgeving zet ons aan tot gedrag, dezelfde impuls krijg je als je een half uur geleden gegeten hebt. Dat komt omdat in onze hersenen structuren zitten op basis van pijn en genot die ontwikkeld zijn in vroegere tijden van schaarste. Deze zetten ons nog steeds aan tot bepaald gedrag.

Gelukkig zijn er andere delen van de hersenen die ons tegen houden. Hoe ontwikkel je die? Sitskoorn onderscheidt vier cruciale factoren. Dat zijn een rijke omgeving. Je moet je hersenen telkens voorzien van nieuwe, betekenisvolle informatie. Doe eens iets nieuws waardoor je gemotiveerd wordt! Dan krijg je er nieuwe hersenstructuren bij. Tweede factor is de flow-focus training. Dat betekent: ontspannen zijn, maar wel alle informatie tot je nemen en daarnaar handelen. Wanneer je je niet meer kunt focussen op één bron, dan zal je werk per direct kwalitatief achteruitgaan. Dus oefen je om je aandacht te richten, dan word je cognitief flexibeler en reageer je sneller op fouten zonder stress. Ten derde is een vast slaap patroon van belang. Slaap is nodig o om bijvoorbeeld informatie over te brengen van het korte- naar het langetermijngeheugen. Behalve ’s nachts goed slapen draagt een siësta van 10-20 minuten er ook aan bij. En tot slot iets wat we waarschijnlijk allemaal wel weten, bewegen. Ga eens lopend vergaderen.

Sitskoorn volledige lezing is op de eerste dag van het Festival van de zachte G naar de zoete Zee. Meld je nu aan

 

Over Margriet Sitskoorn

Prof.dr. Margriet Sitskoorn studeerde in jaren ’80 psychologie in Tilburg, met als specialisatie neuropsychologie. Zij promoveerde aan de Universiteit van Nijmegen binnen de ontwikkelingspsychologie. Ze volgde een vervolgopleiding in de klinische neuropsychologie aan het Henry Ford Hospital in Detroit, Verenigde Staten. Zij is BIG-geregistreerd klinisch neuropsycholoog.

Uit onderzoek blijkt dat een alleenstaande ouder met pubers vrijwel zeker problemen krijgt met drugs, criminaliteit, gameverslaving en alcohol. Er moet een label op: risicogezin. Dit gebeurt op grote schaal in het onderwijs, de zorg én het welzijnswerk

De zorgverzekeraar, het sociaal (wijk)team, de wijkverpleegster hebben allemaal een mening over de aanpak. Ze staan klaar in de startblokken, want stel dat je er niet op tijd bij bent. Dan gebeuren er ongelukken.

Maar wat is nu echt de situatie van het gezin of van die eenzame oudere of het kind dat moeilijk aansluiting vindt op school? Zorg is niet alleen om je pijn te verlichten maar om meer van je leven te maken. Ondanks of dankzij de "afwijkende" situatie zijn mensen juist in staat om veel mooie dingen zelf te produceren. Met andere woorden: waar worden de we gelukkig van?

 

Laat je inspireren en reis mee met het rondtrekkend festival van de zachte G tot de Zoete Zee in maart 2017 en beleef de voor- en nadelen van labels, als professional en als persoon met je eigen ervaringen in jouw (digitale) netwerk. 

Petra Raaijen

Ap Dijksterhuis is hoogleraar, ondernemer, spreker en schrijver. Zijn nieuwste boek ‘Op naar geluk’ heeft ons doen besluiten hem uit te nodigen voor een prikkelend betoog. Want zo stelt hij onder andere op basis van vele inzichten uit de wetenschappelijke psychologie: u en ik hebben voor 50% invloed op ons eigen geluk. En hij wijst erop dat wij ons bewustzijn nodig hebben om geluk te ervaren. . Als dat zo is, dan rijst de vraag op: kunnen we dit gegeven ook toepassen op ons werk als professional?  Want werken wij niet voor een groot deel aan het individuele welzijn van de inwoner in onze gemeentes?

Ap Dijksterhuis betoogt in zijn meest recente boek Op naar geluk, dat we geluk zelf in de hand hebben. Dijksterhuis: ‘Gelukkig zijn kun je namelijk leren, volgens Dijksterhuis, waarop meteen les 1 volgt: geluk is iets anders dan genot. Genot en plezier zijn van tijdelijke aard en gebonden aan bepaalde omstandigheden; geluk wordt geproduceerd door het bewustzijn. Genot gaat voorbij, geluk is stabieler. Hoe gelukkig een mens zich voelt, wordt grofweg bepaald door drie factoren: zijn gedrag, zijn genen en zijn omstandigheden. In die volgorde, les 2: omstandigheden bepalen maar ongeveer 10 procent van ons geluk, de genen 40 procent en de resterende 50 procent heb je zelf in de hand. ‘Voor de meeste mensen geldt dat je met een paar eenvoudige veranderingen behoorlijk wat kunt bereiken,’ aldus Dijksterhuis.

Tegenwoordig ben je een slappe idealist als je nog gelooft in de maakbaarheid van de samenleving. Maar eigenlijk is het geklaag over ‘het maakbaarheidgeloof’ vooral een excuus om te stoppen concreet na te denken over hoe de wereld beter kan. Maar als je de samenleving niet kunt maken, wie maakt hem dan? Natuurlijk zijn er vormen van maakbaarheid die beter werken dan anderen. Dijksterhuis geeft ons in zijn betoog vast een tip voor een geluksbevorderend overheidsbeleid.

Over Op naar geluk:
Ons geluk hebben we voor een aanzienlijk deel in eigen hand. Voor 50 procent zelfs, zo vertelt de hedendaagse wetenschap ons. In de zoektocht naar het begrijpen van geluk verbindt Ap Dijksterhuis met veel vaart en humor de moderne psychologie en neurowetenschap met de klassieke westerse filosofie en oosterse filosofie. De lezer wordt meegenomen langs het boeddhistische ideaal van mindfulness en het heilzame effect van reizen, langs de vraag of we een vrije wil hebben, langs de overeenkomst tussen het geloof in een God en het bezoek aan een popfestival, langs de wijsheid van John Lennons moeder en de valkuilen van de consumptiemaatschappij, langs Socrates’ ideeën over de zorg voor de ziel, langs de beste manier om de juiste doelen te stellen, en de typisch eenentwintigste-eeuwse vraag hoe vaak je, voor je eigen gemoedsrust, nu eigenlijk je e-mail moet lezen. Kortom wat werkt geluksbevorderend voor u en de wijze waarop u werkt.

In zijn bestseller Het slimme onbewuste schreef Dijksterhuis dat, hoewel ons gedrag vooral bestuurd wordt door het onbewuste, we ons bewustzijn nodig hebben om geluk te ervaren. In Op naar geluk legt hij uit hoe we dat moeten doen. En wie wil er níet gelukkig worden? Meld je nu aan voor ons rondtrekkend festival "van de zachte G naar de zoete Zee", met als thema Geluk.

 

Over Ab Dijksterhuis
Als onderzoeker won hij een handvol wetenschappelijke prijzen (waaronder de zeer prestigieuze Early Career Award van de American Psychological Association), en is hij redacteur van het gezaghebbende Science. Hij is hoofd van de afdeling sociale psychologie van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Als schrijver en veelgevraagd spreker probeert hij mensen te inspireren. Hij schreef drie boeken: Het slimme onbewuste (2007; meer dan 100.000 exemplaren verkocht, genomineerd voor de Eureka prijs); De merkwaardige psychologie van een wijndrinker (2011); en Op naar geluk (2015). HP/De Tijd riep hem een aantal jaren geleden uit tot een van de 100 meest invloedrijke Nederlanders.

In de Nederlandse rechtspraak is een verdachte onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Een mooie regel om te voorkomen dat iemand die verdacht lijkt, niet onschuldig wordt vastgezet. Helaas is dat niet in alle landen van de wereld zo geregeld.

Maar gek genoeg geldt dit niet in Nederland binnen de regels en afspraken van de WMO en de zorg. Bij de zorgloketten liggen vragenlijsten met achter elke vraag een vakje om aan te vinken. Als een x-aantal vragen aangevinkt zijn, heb je hulp nodig ook al vind je dat zelf echt. Al spring je hoog of laag, laat zelf maar eens zien dat de vinkjes en de vragenlijsten ongelijk hebben.

Een mooi voorbeeld is de huishoudelijke hulp. Door de transitie waarbij mensen zelfstandiger naar een oplossing moeten zoeken, dachten veel gemeenten dat huishoudelijke hulp niet meer hun taak was. Mensen kunnen dit zelf regelen via hun eigen netwerk. De Centrale Raad van Beroep heeft echter bepaald dat het wel een taak van de gemeente is. De gemeente moet nu de indicatie opstellen waaruit blijkt of iemand huishoudelijke hulp nodig heeft. Oftewel wanneer is het huis zo vies zodat dat hulp nodig is voor een aantal uren per week.

Het is toch bizar dat de gemeente dit bepaalt? Hoe groot moet de vragenlijst zijn om onder aan de streep vast te stellen of een huis zus of zoveel schoonmaakuren nodig heeft om leefbaar te worden. De een wordt gelukkig van een huis dat zo schoon is dat het zeer doet aan je ogen. De ander houdt van spinnenwebben want die kleuren zo mooi in de zon en spinnen vangen vervelende muggen. Dit geeft aan hoe verschillend mensen zijn en dat mensen van veel dingen gelukkig kunnen worden waar andere mensen niet aan moeten denken.

Dus kun je als gemeente niet van te voren bepalen of een huis vies is (schuldig) zonder naar de werkelijke situatie van de mensen te kijken (onschuldig?). De gemeente kan wel samen met de hulpvragers en zijn of haar familie en vrienden kijken wat in die situatie nodig is. Maar dat is een omslag in het denken van de ambtenaren en van de hulpvragers. Vraag je dan wat niet goed gaat of vraag je waar mensen echt behoefte aan hebben om prettig te leven?

Laat je daarom verrassen op het festival van de LCGW. Ontdek en/of deel waar jij gelukkig van wordt en hoe je dit als overheid het beste kunt hanteren zonder meteen iemand aan te wijzen als “schuldig”. 

Petra Raaijen

meer info LCGW festival

Het is duidelijk dat, door de bank genomen, gemeenten gelden overhouden over het eerste jaar dat zij de verantwoordelijkheid hebben gekregen voor een aantal taken in het sociale domein. Toen dit eenmaal duidelijk werd begon gelijk een nationale discussie waarin, ook weer door de bank genomen, schande wordt gesproken over dit feit. De teneur lijkt te worden dat gemeenten of te veel hebben geknepen in de uitgaven en dus het beleid op de helling moet, ofwel dat gemeenten alsnog te veel geld van het Rijk hebben gekregen en dus nog wel verder gekort zouden kunnen worden. Het debat dient in mijn ogen, wel in het juiste perspectief geplaatst te worden. De hijgerigheid om gelijk stelling te nemen dient even in de wachtstand gezet te worden om ruimte te creëren voor een inhoudelijk debat, die als uitkomst moet hebben: “Hoe komen we tot een daadwerkelijke verbeterslag binnen het sociale domein, waarbij we de zelfraadzaamheid van onze burgers nog verder kunnen versterken en de basale zorg voor onze burgers in stand kunnen houden. In dit artikel wil ik aangeven dat hiervoor alle aanleiding is en dat hiervoor ook volop kansen liggen.

Het jaar 2015 is het eerste jaar dat de zgn. transitie van het sociale domein werkelijkheid is geworden. Hiermee werd een van de grootschaligste invoeringsoperaties ooit afgerond. De gemeenten kregen de verantwoordelijk voor de jeugdzorg en passend onderwijs. Ook de AWBZ functie begeleiding en de uitvoering van de nieuwe Participatiewet gingen onderdeel uitmaken van het gemeentelijke takenpakket. In de maanden daaraan voorafgaand hebben gemeenten alle zeilen bij moeten zetten om op tijd klaar te zijn. Veel was tot op het laatste moment onduidelijk, zowel in de zin van wat nu precies de taken en verantwoordelijkheden van de gemeenten zouden zijn, als ook het geld wat naar de gemeenten toe zou komen. Vanuit die onzekerheid en onder enorme tijdsdruk hebben veel gemeenten toen gekozen voor een behoedzame inrichting van die nieuwe taken, maar hebben ze ook veelal een financiële buffer gecreëerd. Juist vanuit zorg voor haar inwoners. Het doel was dus niet om geld over te houden, maar het doel was juist om enerzijds goede zorg te bieden maar anderzijds ook goed algemeen financieel beleid te voeren. Geen enkele gemeente wil een begrotingsjaar afsluiten met een (groot) tekort, zeker niet na een aantal uiterst magere jaren waarbij financiële buffers behoorlijk uitgeput zijn geraakt. Maar ook wil geen enkele gemeente dat er in de gemeente schrijnende situaties voorkomen van mensen die verstoken blijven van de noodzakelijke zorg. En zo geschiedde.

Het hele jaar 2015 (het eerste jaar) overziende mogen we gerust stellen dat de gemeenten het er lang niet zo slecht vanaf hebben gebracht als van tevoren was verondersteld. De meeste commotie die ontstond concentreerde zich rondom de uitvoering door de Sociale VerzekeringsBank, waarbij juist veel gemeenten bereid zijn gebleken om in schrijnende situaties een oplossing te willen bieden. Was iedereen dan zeer tevreden? Nee zeer beslist niet. Velen hebben de zorg die zij gewend waren zien afnemen, terwijl juist hun behoefte aan zorg toenam, en dat doet pijn, soms zelfs onnoemlijk veel pijn. Het is allemaal schraler geworden. Maar we moeten ook eerlijk blijven, dit is precies waar we op gekoerst hebben.  Er moest steeds meer geld richting de zorg en dreigde daarmee onbetaalbaar te worden. Anders gesteld; de (rijks)overheid was niet bereid om meer geld uit te trekken maar wilde juist bezuinigen. Het roer moest om, zowel in structuur als cultuur. Ziedaar de geboorte van de transities en transformatie in het sociale domein. Daarbij mag niet vergeten worden dat allen zich toen terdege hebben gerealiseerd dat de transitie, het feitelijk regelen, slechts de eerste stap zou zijn. Die stap zou gevolgd moeten worden door de transformatie, de cultuuromslag, zowel bij de overheid, de (zorg)instellingen als ook de samenleving als geheel.

 

Van deze tweede stap, de meest omvangrijke als ook de moeilijkste, is nog maar weinig terecht gekomen. Vooralsnog zijn door meeste gemeenten de gebaande paden vanuit het verleden bewandeld. De reeds bekende partners zijn gecontracteerd en er bleek maar weinig ruimte voor nieuwe en/of kleine zorgaanbieders. Ook het Rijk blijft vasthouden aan de gebaande paden. Zo wordt in de verantwoording van gemeenten naar het Rijk nog steeds uitgegaan van 3 separate geldstromen: WMO, Jeugdzorg en Participatiemiddelen. Juist nu blijkt dat gemeenten het zowel inhoudelijk als ook financieel, redelijk tot goed doen, ontstaat er ook ruimte om de transformatie een enorme impuls te geven. In de onwetendheid of de overschotten van 2015 ook van structurele aard zijn of niet, kunnen we die gelden in ieder geval incidenteel gebruiken innovatieve experimenten te starten. Wat mij betreft experimenten die gericht zijn op preventie, het voorkomen of zo lang mogelijk uitstellen van een beroep op de dure zorg. Laten we daar gezamenlijk de mogelijkheden toe zoeken om daadwerkelijke verbeteringen te bewerkstelligen, daar hebben mensen echt wat aan. Laten we daarbij ook bereid zijn om van elkaar te leren, en dan niet alleen van de succesverhalen, maar ok van de missers en fouten die we helaas ook zullen maken.

 

Henk Kosmeijer
Voorzitter LCGW
(Landelijk Contact Gemeentelijk Welzijnsbeleid)

Ik heb de vrolijke televisiebeelden van de meest recente Koningsdag nog vers op het netvlies. De koninklijke familie die participeert in het Zwolse feestgedruis, swingend op de ritmische rhymes van rapper Typhoon. Ik denk terug aan de eerste troonrede van Koning Willem Alexander. “De klassieke verzorgingsstaat moet plaatsmaken voor een participatiesamenleving”, zo sprak hij. En zo geschiedde. Drie decentralisaties later blijkt het echter nog allemaal behoorlijk ‘work in progress’. Organisaties worstelen zich van de transitie- naar de transformatiestand. Het valt lang nog niet mee.

 

De participatiesamenleving. Een prachtig beeld, een mooi woord. Nog wat mooie woorden: ‘eigen regie’, ‘eigen kracht’, ‘zelfredzaamheid’, ‘het eigen netwerk’, en natuurlijk ‘één gezin, één plan’. Het vraagt een omslag. Van zowel professionals werkzaam op het terrein van zorg en ondersteuning als van cliënten zelf. Cliënten zijn (niet langer) passieve consumenten van zorg. Zij zijn individuen die in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor de koers van hun leven en actief aandeel hebben in de hulp en ondersteuning die zij ontvangen. Daarmee neem je mensen tenslotte serieus, niet waar? Van organisaties die cliënten deze hulp en ondersteuning bieden, mag verwacht worden dat de inspanningen die zij leveren er ook daadwerkelijk toe bijdragen dat de cliënt is versterkt in zijn zelfredzaamheid en beter in staat is te participeren in de maatschappij. Een jaar na invoering van de decentralisaties vragen we ons af of cliënten dit inderdaad zo ervaren. En op welke manier ervaren cliënten dat de gepleegde interventies hierin een rol hebben gespeeld? Was er in die interventies eigenlijk wel genoeg ruimte voor de eigen regie van de cliënt? Tot slot vragen we ons af hoe we dit meten. Gelukkig is er geen vraag zo ingewikkeld of er is een antwoord op. Zie daar: het Client Ervarings Onderzoek (ofwel het CEO) was geboren.

 

Vanaf 2016 zijn gemeenten verplicht een onderzoek (CEO) uit te (laten) voeren naar de ervaringen van cliënten met de hulp en ondersteuning die is geboden vanuit de Wmo en de Jeugdhulp. Een basisset aan vragen moet ons hierin inzicht verschaffen. De verplichte basisset aan vragen is kort, want niemand heeft zin om drie pagina’s vragen door te werken. Begrijpelijk.

 

Ik vind de wijze waarop het (verplichte) CEO op dit moment vorm heeft echter een gemiste kans. En wel om de volgende redenen: Ten eerste wordt er voorbij gegaan aan wat nu precies de waarde is van kennis die voortkomt uit de ervaringen van mensen en hoe deze ervaringskennis het best op te halen. Ervaringskennis is geen wetenschappelijke kennis. De bevindingen zijn niet op voorhand te generaliseren. Dat is dan ook niet de waarde die we eraan moeten geven. Ervaringskennis is ook geen, voor zover dit al bestaat, absolute waarheid. Ervaringskennis is subjectief. Hoe kan het ook anders? Hoe iemand iets heeft ervaren is altijd subjectief. Dit maakt het echter niet minder waardevol. Ervaringskennis biedt ons inzicht in de belevingswereld van cliënten. Informatie die de systeemwereld nooit op die manier zou kunnen produceren, maar die essentieel is in de aansluiting van het aanbod van hulp en ondersteuning op de behoefte van cliënten. Wanneer cliënten in een kleinschalige en vertrouwde context worden bevraagd over hun ervaringen wordt duidelijk wat voor hen bepalend was in het hebben van ofwel een positieve of een negatieve ervaring in de hulp en ondersteuning die zij hebben ontvangen. Het is opvallend hoe vaak het hierbij gaat om relatief kleine aspecten in de werkwijze of processen van hulpverlenende organisaties. De waarde van ervaringskennis is daarom met name de bruikbaarheid ervan in de praktijk.

 

Dat brengt me tot mijn tweede punt: de meerwaarde van het (verplichte) CEO is op dit moment beperkt. Het onderzoeken van cliëntervaringen is een manier om de stand van zaken rondom de transformaties en de daarbinnen geboekte resultaten te monitoren. Nuttig, maar dit zou geen doel op zich moeten zijn. Kennis om de kennis heeft slechts beperkte waarde. Uiteindelijk gaat het erom wat we ermee doen. Het CEO in z’n huidige vorm is een eerste vertrekpunt. Het eindstation zou moeten zijn een verbetering in de kwaliteit van de hulp en ondersteuning die wordt geboden. Waarmee ik overigens niet op voorhand een oordeel over deze kwaliteit wil vormen.

 

Want, naast het feit dat ervaringskennis subjectief is, betreft het bovendien slechts één kant van het verhaal. In dit geval de kant van de cliënt. De andere kant is die van de hulpverlenende professional. Een (mogelijk) tussenstation in de vertaalslag van kennis uit het CEO naar kwaliteitsverbetering zou daarom kunnen zijn een dialoog tussen cliënten en professionals. Een dialoog waarin beiden kijken naar 1) de manier waarop zorg en ondersteuning door cliënten wordt ervaren; 2) welke aanknopingspunten professionals én cliënten daarin (wel of niet) zien tot kwaliteitsverbetering.

 

In deze benadering is het bovendien raadzaam te kijken naar wat er op dit vlak al wordt ondernomen en welke kennis en expertise al beschikbaar is en deze te verbinden aan het CEO. Niet in de laatste plaats gaat het hierbij om de kennis en expertise van (platforms van) cliënten zelf.  Want ook dat is cliënten serieus nemen. En ook dat is participatie van cliënten. Zo kent de regio Nijmegen sinds 2015 het Regionaal Platform Ervaringskennis. Dit is een burgerinitiatief waarin ervaringskennis van cliënten rondom diverse thema’s binnen het sociaal domein wordt opgehaald, de basis bieden voor dialoog en vertaald worden naar bruikbare adviezen. Ook klanttevredenheidsonderzoeken van aanbieders kunnen een waardevolle aanvulling zijn op het CEO. Zo ontstaat er een completer beeld waarin bovendien beter gedifferentieerd kan worden.

 

Ik realiseer me dat het CEO nog slechts in de kinderschoenen staat. Toch wil ik ervoor pleiten al in dit stadium de visie op ervaringskennis te verhelderen en ervaringskennis te verbinden aan andere informatiebronnen om de dienstverlening en bedrijfsvoering te verbeteren. Alleen wanneer we nu al nadenken over het toepassen van informatie uit cliëntervaringen kunnen gemeenten en zorgaanbieders hiermee richting geven aan hun transformatie en verbetering van dienstverlening.

 

Voor mijn marktonderzoek over hoe gemeenten de uitkomsten uit hun CEO (zouden willen) inzetten, kom ik graag in contact. Dus wilt u uw ervaringen met dit onderwerp delen, of wilt u (vrijblijvend) over dit onderwerp eens van gedachten wisselen, neemt u dan contact met mij op.

 

Myra van Veenendaal

Senior adviseur Transitiepartners

06 236 80 503

m.vanveenendaal@transitiepartners.nl

De Nederlandse verzorgingsstaat is sterk gegroeid vanaf midden jaren zestig tot het einde van de jaren zeventig: sociale verzekeringen, welzijn, zorg en onderwijs. Hierdoor groeide ook het aantal ambtenaren in rijksdienst. In de jaren tachtig bleek dat er veel uitvoerende taken met een plaatselijk karakter beter door de gemeenten uitgevoerd kunnen worden. Zij kregen van het Rijk bevoegdheden en het daarbij horend budget ( decentralisatie), zij het met een bezuiniging . In het verlengde hiervan werden uitvoerende rijkstaken op landelijke schaal ook verzelfstandigd. Zo ontstonden de zogenaamde Zelfstandig Bestuurs Organen ( ZBO ). Deze ZBO’s opereren op totaal verschillende gebieden, bijvoorbeeld het COA ( Centraal Orgaan opvang Asielzoekers ) en het CBR ( Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen ). Dit proces van verzelfstandiging leidde niet tot minder rijksregels. Vandaar dat werk gemaakt moest worden van deregulering en dat is een zaak van lange adem. De behoefte aan minder regels werd al tijden lang ook gevoeld door het particuliere bedrijfsleven.

De leiding van de ZBO’s is in handen van de Raad van Bestuur. De controle op de Raad van Bestuur wordt gevormd door een onafhankelijke Raad van Toezicht, die enkele keren per jaar het gevoerde beleid doorlicht. De motieven om organisaties te verzelfstandigen kwamen voort uit de gedachte dat zij een meer directe relatie met de doelgroep hebben, doelmatiger werken en goedkoper zijn. De praktijk bleek in veel gevallen heel anders te zijn en dat werd telkens aangetoond door de Algemene Rekenkamer. De desbetreffende ministers op de onderhavige terreinen hebben weinig sturingsmogelijkheden om grote fouten te corrigeren. Alleen als er sprake is van een grote puinhoop  in een ZBO betreffende het beleid, de personele situatie aan de top en grote financiële tekorten kan de minister maatregelen nemen.

De tekorten op de Rijksbegroting werden vanaf 2007 groter in verband met de economische crisis. Vandaar dat het kabinet begon  met een inkrimping van het bestand van rijksambtenaren, namelijk 15.000. In drie jaar tijd was minder dan de helft van deze doelstelling gehaald. In het huidige kabinet werd in 2013 besloten om weer een poging te doen om in 2018 die 15.000 banen in te leveren: een taak voor  minister Blok die verantwoordelijk is voor de Reorganisatie Rijksdienst. De Algemene Rekenkamer en het Centraal Planbureau hebben vrij snel laten weten dat deze taakstelling onhaalbaar is. Dat is nu al gebleken, want sinds vijf jaar is het aantal rijksambtenaren nota bene ongeveer hetzelfde gebleven

Bij de start van het huidig kabinet in 2012 was de economische situatie van ons land verder verslechterd, het begrotingstekort aanzienlijk gegroeid en de staatsschuld flink gestegen. Er werd besloten om op verschillende fronten flink te bezuinigen. Met name in het zogenaamde “sociale domein” op gemeentelijke schaal(  werk en inkomen, jeugdhulp en thuiszorg ). De uitgaven op dat terrein waren in de afgelopen tien jaar stormachtig gegroeid. Aangezien die voorzieningen een plaatselijk karakter hebben besloot het kabinet die gelden en bevoegdheden van het rijk over te hevelen naar de gemeenten, een nieuwe ronde van decentralisatie. Met deze overheveling per 1 januari 2015 ging wel een forse bezuiniging gepaard van gemiddeld 30%. Volgens het rijk kunnen de gemeenten deze ingreep wel opvangen omdat zij de plaatselijke behoeften van burgers beter kunnen vaststellen , efficiënter en effectiever dan het rijk werken. Een belangrijk middel hierbij is het voeren van “keukentafelgesprekken”: ambtenaren gaan met de hulpvrager rond de tafel zitten en gaan onderzoeken of deze zelf meer iets kan doen, dan wel een beroep kan doen op familie, vrienden en buren, de zogenaamde mantelzorg. Tevens zal de gemeente samenwerking organiseren tussen directe hulpverleners van de hulpvragers.

Desondanks blijft er een flinke kloof ontstaan tussen het rijksgeld en de mogelijkheden van gemeenten, zorgvragers en de mantelzorg. Het rijk is jaren lang 30% te duur geweest en waarom moeten de gemeenten daarvoor opdraaien ? En waarom komt het rijk nu pas daarmee ? Het ligt gewoon heel anders: de kabinetten  hebben de laatste tien jaar grote tekorten in het sociale domein laten ontstaan en daarvoor moeten de gemeenten boeten. Als doekje voor het bloeden wordt die bezuiniging verpakt in een doorzichtig en te gemakkelijk betoog dat te ver van de werkelijkheid afstaat. In feite geeft de regering een cadeautje aan de gemeenten, maar die moeten dan wel een deel daarvan zelf betalen. In de normale economische praktijk komt het vaak voor dat iemand die een nieuw product wil kopen  dat product met korting verkrijgt. Dat heet dan een kennismakingskorting. In het voorgaande betoog geeft de staat aan de gemeenten ook een kennismakingskorting, maar dan negatief.

Tenslotte: het nieuwe sociale domein bestaat bijna een jaar. De weerstand tegen het forse bezuinigingsbeleid groeit stormachtig: gemeenten, zorginstellingen en de cliënten. Staatssecretaris van Rijn schrikt zich een hoedje. Onlangs trok hij 300 miljoen euro uit om de verslechterde arbeidspositie van thuishulpen te repareren. Is dit een incident of worden andere bezuinigingen ook gedeeltelijk ingetrokken : geeft van Rijn minder pijn ?

 

Hans van Borselen

Publicist Nederlandse verzorgingsstaat

De laatste weken horen wel we telkens het aantal van 3 % begrotingstekort. Als we ruim dertig jaar terugblikken komen we uit bij het 1e kabinet Van Agt ( 1977 – 1981), bestaande uit het CDA en de VVD, die stoelde op een meerderheid van slechts 77 van de 150 Tweede Kamer zetels. Maar binnen de CDA fractie , waarvan Lubbers  na Aantjes voorzitter was ,  waren er wel zeven dissidenten die het kabinet flink dwarszaten. Met name minister van Financiën Andriessen kreeg zijn bezuinigingsoperatie Bestek ’81 er niet door , waardoor hij in 1980 aftrad. De bezuinigingen waren toen hard nodig , maar het begrotingstekort liep aan het eind van de kabinetsperiode op tot 9 %. Dat was mede te wijten aan het enorm uitbreiden van het bestand aan rijksambtenaren, die allemaal graag nota’s schreven  en nieuwe beleidsregels opstelden.

Vandaar dat in de daarop volgende kabinetten Lubbers er een grote deregulering werd aangekondigd. Dat was natuurlijk mooi , maar er kwamen veel meer regels erbij zodat de balans alleen maar negatiever werd. Het ambtelijk apparaat werd steeds logger en men had te weinig tijd en aandacht voor vele uitvoerende rijkstaken . En zodoende werden er vanaf begin jaren negentig enkele honderden uitvoerende diensten omgezet in zogenaamde Zelfstandige Bestuurs Organen ( ZBO) , waaronder o.a het COA. Deze ZBO’s zijn zeer autonoom met een Raad van bestuur en een Raad van Toezicht. Er is weinig politieke , ambtelijke en financiële controle  op deze organen , met vele negatieve gevolgen van dien . De Algemene Rekenkamer heeft telkenmale daarop gewezen, maar met die rapporten werd door de politiek amper iets gedaan. En de Raden van Toezicht van de grotere ZBO’s werden met name bevolkt door ex-politici , die al lang grossieren in dat soort leuk betaalde nevenfuncties. U kent ze wel : de Nijpels, de Hermans en de Brinkmannen , die onvoldoende op fouten in beleid en organisatie letten. Na de vele affaires van de laatste jaren is de kans groeiende dat de autonomie van deze organisaties in en volgende kabinetsperiode ingeperkt gaat worden.

Intussen heeft de rijksoverheid het steeds moeilijker. Ten eerste heeft men een aantal bevoegdheden vrijwillig en in gezamenlijkheid overgedragen aan de Europese Unie. In het brede sociale domein kan men op centraal niveau een heleboel zaken niet meer effectief en efficiënt aanpakken en worden die beleidsproblemen over de heg gekieperd naar de gemeenten ,vergezeld met een kennismakingskorting. Die toenemende onmacht van de Nederlandse staat wordt dan gecompenseerd met stoere voornemens op het terrein van de openbare veiligheid. De bewindslieden Opstelten en Teeven geven om de dag ronkende persberichtjes uit om de indruk te wekken dat terstond de onveiligheid minder wordt. Grote gebaren , loze kreten en lege dozen , zo kunnen deze Haagse bestrijders van  Snuf en Snuitje gekenschetst worden.

Vandaar dat ik even Admiraal de Ruyter ten tonele voer, beroemd en berucht in de Gouden Eeuw . Zoon van een bierdrager , die opklom van scheepsjongen , matroos en stuurman en die uitgroeide tot de bekwaamste vlootstrateeg die Nederland ooit heeft gekend. Altijd een eenvoudige jongen gebleven die nota bene zelf zijn kajuit zwabberde. Er is onlangs een Engelstalige Biografie van de Ruyter verschenen.  “De Ruyter , Dutch Admiral “. In de NRC van 13 april j.l. stond een interessante recensie van dit boek , waarin onbekende aspecten van deze admiraal naar voren gebracht worden . Ik citeer:

“De Zweedse auteur Jan Glete stelt de vraag hoe het komt dat absoluut geregeerde monarchieën met een centraal bestuur en een veel grotere bevolking het telkens aflegden tegen dat schijnbaar bij elkaar geraapte zootje van zeven gewesten en vijf admiraliteiten (  Amsterdam, Rotterdam ,Enkhuizen / Hoorn , Zeeland ( Veere) en Friesland ( Harlingen ). Anders gezegd: waar haalde een federaal staatje als Nederland met nog geen twee miljoen inwoners de kracht vandaan om supermachten als Spanje , Frankrijk en Engeland te verslaan ? Hij stelt dat de Republiek verhoudingsgewijs meer mannen onder de wapenen hield  en veel meer schepen paraat had . Tevens toont de auteur aan dat de gedecentraliseerde  militaire organisatie veel dichter bij de bevolking stond en daarom snel op peil gebracht kon worden dankzij een efficiënte logistiek. Scheepsbouw, scheepsuitrusting en rekrutering verliepen geroutineerd , mede omdat ze geworteld waren in lokale organisaties. De tegenstanders waren groter en machtiger , maar het absolutistische staatsapparaat werkte met zijn bureaucratische organisatie log en traag. Die staten verkeerden bovendien in permanente geldnood, terwijl er hier snel en zonder veel gemor belasting werd geheven .De militaire organisatie stond dicht bij de bevolking. Het was eerder dankzij en niet ondanks het federale  systeem dat de Nederlandse slagkracht zo groot was. Daar kwam nog een eerder gunstig element bij. De zeelieden van de Nederlandse Admiraliteiten waren vrijwilligers. De haventaferelen van ronselaars die jongelieden dronken voerden kwamen hier niet voor. En die vrijwilligers namen  juist dienst omdat ze goed en regelmatig werden betaald en  goede scheepskost kregen. Ze wisten ook dat ze zouden dienen onder een charismatische vlootvoogd en onder een reeks zeer bekwame officieren, die grondig waren getraind en die de Ruyter in de strijd loyaal gehoorzaamden”. Einde citaat.

Laten we even de kernwoorden betreffende de Marine van de Ruyter op een rijtje zetten:

·       Decentrale aanpak

·       Voldoende personeel en materiaal

·       Dicht bij de bevolking

·       Efficiënte logistiek

·       Anti-bureaucratische organisatie

·       Positieve belastingmoraal

·       Vrijwillige manschappen , goede primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden

·       Charismatisch leider en sterk en loyaal kader

Voorwaar: de huidige overheid kan een lesje leren van een held van 350 jaar geleden. Lees dat boek , dames en heren politici !

 

Hans van Borselen , 28 april 2012 Omroep Odrie / Het Stellingwerfs Kabinet

De afgelopen maanden heb ik 2 x een ESN –bijeenkomst bijgewoond in Brighton. Afgezien van het feit dat Brighton een leuke badplaats is die zeker een bezoekje waard is – waren de programma’s inhoudelijk ook zeker het bezoeken waard.

In februari mocht ik – last minute – aanschuiven bij een conferentie over ouderenzorg in diverse landen. De deelnemers waren België, Finland, Zweden, Groot-Brittannië en Tsjechië. Een zeer uiteenlopend gezelschap dus. Wat hen wel bond was de betrokkenheid bij ouderenzorg en de vraag hoe dit op de lange termijn te organiseren is. Vooral in landen als Zweden, Groot-Brittannië en België is het gesprek rondom de participatiesamenleving volop gaande. Hoelang kunnen mensen thuis wonen, hoe organiseren we de zorg zo efficiënt mogelijk, wat kunnen en mogen we verwachten van het informele netwerk. Kortom: zeer herkenbare vraagstukken die opgeworpen werden. Tsjechië was de uitzondering in dit geheel. Het land is nog zo nieuw dat allerlei instituten en regelgeving geheel in de kinderschoenen staat. Een wat andere positie werd ingenomen door Finland. Op het moment van de conferentie werd in het Finse parlement de discussie gevoerd over het verder centraliseren van de zorg. Na een decentralisatieronde in de zorg te hebben gehad was men tot de conclusie gekomen dat de verschillen tussen de diverse gemeenten te veel uiteen liepen – zowel qua zorginhoud als qua financiën. Ik heb dit voor mezelf maar vertaald als “de decentralisatie op zijn retour”. Het voorveld voor onze decentralisatie?

In mei volgde een conferentie waarbij ESN als 1 van de partijen deelnam. Het onderwerp was “people matter, quality4work” – waarbij de nadruk lag op hoe we de kwaliteit van medewerkers in de huishoudelijke en persoonlijke verzorging (personal and householdservices) kunnen bewaken. Ook hier weer een interessant thema dat ook in Nederland aan de orde is. Thuiszorgorganisaties die omvallen en gemeenten die geen huishoudelijke diensten meer bieden, leiden ertoe dat de werkgelegenheid in die sector onder druk staat. De deelnemende landen waren nu Groot Brittannië, Ierland, Schotland, Finland, Zweden en Nederland. Zelf heb ik een presentatie gegeven over de transities op lokaal nivo, en het werken vanuit de “één gezin, één plan” gedachte. De bezuinigingen in de zorg en de vragen hoe hiermee om te gaan waren zeer herkenbaar. Op Zweden na was in alle landen bezuinigd op de zorg. De concurrentie in de sector wordt meer, arbeidsomstandigheden slechter. Dit alles speelt in de wetenschap dat de bevolking vergrijst en er in de sector dus juist veel groei ter verwachten is.

Ik wil 2 dingen noemen die mij aanspraken in de ervaringen van de diverse landen. Allereerst is er in Finland een wetgeving die het mogelijk maakt dat mantelzorgers een uitkering/loon krijgen. Hierdoor wordt een mantelzorger erkend in zijn/haar taak en kan dit een verlichting betekenen (in financiële zin) voor de mantelzorger. Van een hele andere orde was het voorbeeld van Groot-Brittannië waarin een aantal gemeenten werken met een “Ethical Care Charter”. Deze verklaring vraagt werkgevers om goede werkomstandigheden in acht te nemen voor hun medewerkers. Het gaat dan bijvoorbeeld om het geven van goede arbeidsvoorwaarden aan medewerkers, geen vast personeel vervangen door 0-uren contracten enz. Dit klinkt als zeer vanzelfsprekend, maar in een werkveld (thuiszorg en huishoudelijk hulp) waar de prijs onder druk staat en de concurrentie groot is zijn deze zaken wellicht niet zo vanzelfsprekend als ze lijken. Kortom: ook hier weer een goede bijeenkomst met genoeg “food for thought”.

 

Jolanda Verbiesen,
Bestuurslid LCGW en manager gemeente Heusden

Wadland 2014 is een tijdelijk landschap van wilgentenen op de Noordvaarder dat in de aanloop naar Oerol wordt gebouwd en tijdens Oerol het proces van kweldervorming zichtbaar maakt aan het festivalpubliek.

 

De installatie is geïnspireerd op het abstracte schilderij ‘Pier en Oceaan’ van Mondriaan.

Het is een expiriment en schaalmodel voor de te ontwikkelen Strieperkwelder ten zuiden van Midsland.

In Wadland zijn de natuurlijke ritmes van de natuur voelbaar. Water en slib uit de Waddenzee zoeken onder invloed van de eb- en vloedbewegingen hun weg door het Mondriaanse patroon. Kleine kreekjes en een eerste aanzet van wallen maken het begin van een kweldervormingsproces beleefbaar.’

Nieuwe gedachten en ideeën,  het belopen van nog niet gebaande wegen is als het creëren van een nieuw landschap: ergens begin je met het uitzetten van je plan,  vol overtuiging en gedrevenheid waarna de elementen ertoe worden aangezet het mede te gaan vormen; je kunt tenslotte niet alles alleen..

De afgelopen twee dagen heb ik mogen ervaren dat er veel gedreven mensen zijn die nieuwe landschappen willen creëren. Landschappen waarin we op creatieve wijze mensen kunnen aanzetten gelukkig te worden en met de krachten die daaruit ontstaan zoeken naar verbetering van het samenleven.

Op verlei gebied wordt er gewerkt aan dit ontwikkelplan en dat is goed te merken.  Belangrijk is daarbij oog te hebben voor het soms haast onzichtbare,  het nieuwe en vooral gericht op het opbouwende.

Ontdekken waar de krachten en mogelijkheden liggen  in plaats van de onmogelijkheden schept energie.  Positiviteit en gedrevenheid zorgt voor een opgaande spiraal; het zet mensen in hun kracht en waarborgt zelfredzaamheid. 

Open staan voor beweging is een uitdaging,  het is een mogelijkheid om vanuit iets kleins iets onmetelijk groots te veroorzaken.  Dit te delen met anderen en hen ook te inspireren kan zorgen voor een nieuw landschap met nieuwe mogelijkheden waarin uiteindelijk, rijkelijk geoogst kan worden…

Een kanteling in denken;

Elke beweging is het begin van iets nieuws!

….’De sculptuur heeft een doorsnede van 400 meter en loopt geleidelijk op in hoogte van strandniveau tot meer dan 2 meter in het hart van de zandsculptuur.  Mensen kunnen op de randen van de heuvelkringen gaan zitten als ware het bankjes.  De ordening die dan plaatsvind zorgt voor de vernieuwing:  het geeft een niet aller daags beeld van het eigenlijk zo gewone; namelijk mensen die op het strand zitten.  Het al aanwezige anders te vormen kan al zorgen voor beweging en vernieuwing…’

Simone van de Kamp, student SPH-DT

Bij het uitspreken van de troonrede in 2013 werd in brede kring het begrip participatiesamenleving geïntroduceerd. Het was het startsein voor sociaalwetenschappelijk Nederland om zich te buigen over de vraag of de verzorgingsstaat ten einde was en een nieuw tijdperk, dat van de participatiesamenleving, tot ontwaken kwam. De overheid zou terugtreden uit het sociale leven van haar onderdanen. ‘Mensen moeten weer naar elkaar omkijken en het liefst in sociale verbanden!’ Wordt de verzorgingsstaat dan afgebroken? Dat kunnen we moeilijk beweren als meer dan de helft van alle gemeentebegrotingen gaat naar 15 procent van de inwoners die een hulpvraag heeft. Zij krijgen inkomen, ondersteuning en zorg aangeboden. En niet alleen door de gemeenten. Ook het rijk (langdurige zorg) en verzekeraars (wijkverpleegkundigen) komen voor deze zelfde groep op. In Nederland gaat per jaar ruim 110 miljard euro om in de (langdurige)zorg en inkomensondersteuning. Er wordt dus volop gezocht in Nederland! Een beetje minder- is nog niet meteen ‘geen zorg’. De verzorgingsstaat bestaat dus nog altijd, maar blijkbaar is het begrip sleets geworden. Voor hen die vooral het ‘zuur’ zien, is het begrip participatiesamenleving vooral een ideologisch sausje om te kunnen bezuinigen. Het maakt dat het begrip Participatiesamenleving de laatste jaren een bijsmaak heeft gekregen maar is dat niet terecht?

Nieuw is het begrip participatie zeker niet. In veel kringen werd het introduceren van het begrip participatiesamenleving bij de troonrede daarom ontvangen met instemming. ‘Het kabinet ziet wat zich al langer in de samenleving afspeelt!’ Al jaren is er sprake van een samenspel tussen maatschappelijke organisaties, burgers en instanties met het doel om inwoners met een hulpvraag te helpen zonder het probleem van hen over te nemen. Empowerment of eigen kracht zijn we dat gaan noemen. Dit is zeker niet alleen de taal die door overheden wordt gesproken maar is ook de taal voor veel instanties en maatschappelijke organisaties. Het begrip participatiesamenleving vraagt dus enig respect.

Of die participatiesamenleving echt bestaat, is de vraag. Mensen bepalen dat immers zelf door de onderlinge samenhang. Die sociale verbanden zijn echter niet overal aanwezig of even sterk. De participatiesamenleving bestaat blijkbaar voor sommige meer dan voor anderen. De tegenovergestelde vraag is ook interessant, namelijk of de participatiesamenleving ooit weg is geweest. Want de samenleving heeft altijd bestaan uit een mix van maatschappelijke organisaties, overheid, gefinancierde instellingen en actieve burgers die omkeken naar hun naasten. Maar we zullen op deze plek zeker niet wegredeneren wat er veranderd is de afgelopen jaren.

Wat veranderd is, is de manier waarop de overheid haar inwoners is gaan benaderen. Gemeenten zijn collectief geschoten in de ‘meedenk stand’ als het om de hulpvragen gaat van inwoners en daarbij zijn ze kostenbewust. Het uitgangspunt is dat wat mensen zelf kunnen of zelf kunnen regelen, niet zonder meer de verantwoordelijkheid is van de overheid. Het is zoeken naar een gezonde balans tussen noden en lusten, en het is rolbewust. Overheden nemen geen verantwoordelijkheid over, betuttelen niet, maar lopen ook niet weg voor de feiten en problemen van mensen. Er is daarom zeker geen sprake van een breuk met het verleden. Noch heeft er een revolutie plaatsgevonden in het sociaal domein in Nederland, noch is de verzorgingsstaat afgebroken. Het begrip participatiesamenleving is slechts een herdefinitie van het gedrag van overheden jegens inwoners en dit gedrag is gestoeld op een gezonde betrokkenheid en een balans tussen vraag en aanbod op de zorgmarkt.

Die veranderende overheidsrol zien we overal bij Nederlandse gemeenten ontstaan. In alle gemeenten speelt de vraag hoe om te gaan met die veranderende overheidsrol. Bijvoorbeeld in de gemeente Houten waar ambtenaren zich afvroegen hoe je als ‘persoonlijke overheid’ invulling kan geven aan die nieuwe rol? Ook in het Talentencentrum in Friesland hebben ambtenaren zich deze vragen gesteld. Ook zij hebben een aanpak ontwikkeld waarin sprake is van een gezonde balans tussen hetgeen gevraagd kan worden van een persoon zelf en daar waar iemand zelf niet in staat is om het op te lossen. Bijstandsgerechtigden krijgen een traject om weer actief mee te doen in de maatschappij en daarvoor wordt onder andere sport in gezet. Het gaat immers om ‘meedoen in de samenleving’ en daarvoor zijn geen geijkte paden. Het zijn voorbeelden van gemeenten die het begrip participatiesamenleving weer een positieve lading meegeven en zo smaakt de participatiesamenleving toch ook een beetje zoet ondanks de bezuinigingen. Het gaat in de kern om betrokken overheden en daar is niets op tegen. Wilt u meer weten van deze of andere initiatieven, kom dan ervaring opdoen op het LCGW congres 2015 op 12 en 13 maart.

Victor Ledeboer,

Gemeente Apeldoorn

De nieuwe WMO is geïntroduceerd en we verwachten veel van onze burgers. Bijvoorbeeld bij het opvoeden van kinderen. Daarbij is de gedachte gebruik te maken van maatschappelijke initiatieven die kinderen direct helpen. Of indirect, door het helpen van de ouders. Maar dat idee uitvoeren blijkt geen kinderspel. Want, hoe gaat dat in zijn werk?

Dat ontdekken we in een aantal praktische clinics tijdens het LCGW-congres. Alvast een tipje van de sluier:

Clinic 1: het opvoeden van ouders
Hoe nemen ouders anno 2015 zelf verantwoordelijkheid in de opvoeding van hun kinderen? Daarover gaat de clinic van Katrien Laane. Haar onderneming De OpvoedParty ondersteunt gemeenten en beroepsopvoeders om in gesprek te komen met ouders, die worstelen met opvoedingsvragen.

Een OpvoedParty is een bijeenkomst van ongeveer twee uur, waar in klein gezelschap onder deskundige leiding met elkaar wordt gediscussieerd over één of meerdere opvoedingsthema’s. Doel is ervoor te zorgen dat ouders elkaar ondersteunen waardoor een pedagogisch klimaat ontstaat. De Opvoedparty gaat over een samenspel van eigen kracht, burgerparticipatie, opvoedingsondersteuning en het sociale ondernemerschap.

Clinic 2: het opvoeden van kinderen
Een ander voorbeeld van verbinding, burgerkracht en dialoog is het Engelse ‘Childfriendly Leeds’. Dit initiatief bouwt op de kracht van de jeugd, hun familie, netwerk en maatschappelijke partners. De benadering ‘Restorative Practice’ gaat uit van dialoog en samenwerking. Niet leiden, maar geleid worden. Dat is de nieuwe waarde.

Het gaat er niet alleen om dat kinderen stap voor stap gaan participeren in de wereld van volwassenen en meedoen aan activiteiten, die speciaal voor kinderen georganiseerd worden. Het gaat vooral om de eigen inbreng van kinderen en jongeren. Van spelende kinderen tot tieners die hun sociale leven in de openbare ruimte zoeken.

Andy Lloyd verzorgt in dat kader een clinic tijdens het LCGW Congres. Ze geeft nu leiding aan een proactieve jongerenbeweging die aansluit bij de behoeften van de samenleving. Het verhaal van Leeds is daarom interessant voor onze ontwikkelingen in het sociaal domein. Het is een andere manier van werken en kijken, die ondersteunend is om uit de moeilijke posities te komen.

Congres LCGW 2015
Deze en andere praktische clinics worden gegeven op het LCGW-congres in maart. Na jaren van Haags gedoe mogen gemeenten eindelijk aan de slag met de decentralisaties. Daarom staat het LCGW congres 2015 in dit teken. Laat je inspireren om het totaal anders te gaan doen. Meld je daarom nu aan voor het LCGW-congres, it giet oan!

Michiel Daalmans
 
Lees meer over het congres

Vanaf 2015 zwaait de gemeente de scepter in het sociale domein. De gemeente Zutphen heeft de zaak op orde. De contracten met de zorgaanbieders zijn getekend. De sociale dienst krijgt extra geld voor Wmo-taken en om mensen mee te laten doen. Met extra budget breidt de gemeente haar eigen capaciteit uit. Als klap op de vuurpijl krijgt het welzijnswerk jaarlijks 3 ton extra.

Maar waar was het eigenlijk allemaal om begonnen, die transities? Een vitale samenleving creëren waarin inwoners naar elkaar omzien en elkaar de helpende hand bieden. In het Zutphense collegeakkoord staat het prominent vooraan: “Niet alles kan de gemeente (meer) doen en zeker niet meer alleen. Dat betekent enerzijds een beroep doen op het zelf organiserend vermogen van Zutphen en anderzijds meer ruimte bieden voor initiatieven die daaruit voortkomen. Het beleidsplan Participatiewet maakt het meer specifiek: “Wij sluiten aan op burgerinitiatieven, …. , en reserveren hiervoor middelen”. Die beleidstaal staat in schril contrast met de werkelijkheid. De gemeente investeert vooral in het bestaande systeem. In de praktijk staat de initiatiefrijke burger niet vooraan, maar is een sluitpost.

Een transitie bereik je niet door meer van hetzelfde. Je moet de kracht van inwoners in stelling brengen. Nog steeds lijkt de gemeente te denken dat burgerinitiatieven wel vanzelf komen. Een financiële impuls is niet nodig. Burgerinitiatieven zijn inderdaad wel gratis, maar niet zonder kosten. Een beetje handgeld is wel zo makkelijk als je met een leuk idee voor je buurt rondloopt. Te veel om uit eigen zak te betalen, dus je begint er niet aan. Je steekt er per slot van rekening al heel wat vrije uurtjes in.

Stel je eens voor dat de gemeente 3 ton beschikbaar maakt voor burgerinitiatieven. Voor mensen die iets willen ondernemen om hun buurt wat beter te maken. Zodat buurtbewoners meer betrokken zijn op elkaar. Buurtgenoten elkaar beter leren kennen en elkaar helpen als het even nodig is. Soms kost het een paar honderd euro, soms een paar duizend. Bijvoorbeeld om de benzine te betalen voor een vrijwillige taxidienst, een zorgcirkel te beginnen, het opzetten van een buurttuin. Met 3 ton kan de gemeente jaarlijks zeker 150 burgerinitiatieven mogelijk maken. Dat zijn drie burgerinitiatieven per week! Hoe zou de stad er dan over een paar jaar uit zien? Dat is pas echt investeren in een vitale samenleving. Zo’n samenleving drijft niet op extra welzijnswerkers, maar op meer gemeenschapszin. Dat kunnen burgers alleen zelf maken.

In 2011 concludeerde De Boer en Van der Lans in hun RMO-essay Burgerkracht dat de burger buitenspel staat. Gemeenten zijn vergroeid met het welzijnswerk. Ze werken vooral met de bestaande instituties aan een betere samenleving. De schrijvers zien de transities als een kans om het welzijnswerk, behalve voor de zeer kwetsbare mensen, bij burgers te beleggen. Daar horen dan ook de gelden naar toe te gaan. Die kans heeft Zutphen gemist.

Lex Hemelaar
Stichting Stadsonderneming Zutphen

Beleidsprogramma's en sociale interventies die uitsluitend zijn gebaseerd op een gezond verstand, een goed gevoel, tradities of gewoonten zijn niet per definitie ook effectieve interventies. Sterker nog, zij kunnen zelfs ongewenste en schadelijke effecten teweegbrengen. Het is dan ook terecht dat overheden steeds vaker evaluatiestudies laten verrichten. Zeker in tijden van schaarste hebben we behoefte aan betrouwbare kennis om verschil te kunnen blijven maken in het leven van burgers die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben.

Maar evaluatieonderzoek wordt nog lang niet altijd op de juiste manier ingezet. Als onderzoek vooral wordt ingezet om organisaties af te rekenen op prestaties dan wordt het leerproces afgebroken. Zoals de socioloog Evelien Tonkens stelt, leren we niet alleen van successen maar juist ook van falen. Wanneer evaluatieonderzoek uitsluitend als afrekenmechanisme wordt ingezet (bij tegenvallende prestaties stopt de subsidie), dan dreigt het gevaar dat betrokkenen zich strategisch opstellen en alleen maar praten over het succes van hun werk. Het moge duidelijk zijn dat dit het leerproces ondermijnt. Als onderzoek door overheden echter meer wordt gebruikt als een startpunt voor een respectvolle dialoog over verbeterpunten, dan zal de weerstand binnen welzijnsinstellingen tegen evaluatieonderzoek waarschijnlijk afnemen. Kortom, door onderzoek als feedbackmechanisme te gebruiken ontstaat er meer ruimte om te leren van zowel succes als falen.

Kwalitatieve evaluatiemethoden kunnen dit feedbackmechanisme bij uitstek stimuleren. Zij bieden namelijk de mogelijkheid om uitvoeringsprocessen zorgvuldig te beschrijven en te verklaren. Kwalitatieve methoden geven hiermee niet alleen antwoord op de vraag of een interventie werkt, maar ook hoe deze werkt. Door belanghebbende partijenmee te laten denken en te praten over de interventie - iets wat kenmerkend is voor kwalitatieve onderzoeksmethoden - wordt niet alleen de kwaliteit van de evaluatie versterkt; de uitvoering van de interventie zelf krijgt eveneens een kwaliteitsimpuls. Tijdens het evaluatieproces kunnen namelijk leerprocessen op gang komen die tot tussentijdse aanpassingen en verbeteringen van de interventie kunnen leiden. Zo draait het niet langer alleen om de vragen of en hoe het werkt, maar ook om de minstens zo belangrijke vraag: 'hoe kan het (nog) beter?' Door deze laatste vraag te stellen, wordt de bruikbaarheid en toepasbaarheid van het onderzoek vergroot.

Kwalitatieve evaluatiemethoden worden in de praktijk nog veel te weinig benut. Dat is jammer omdat ze juist uitstekend passen bij de sociale sector, zoals ik onlangs heb betoogd in een recente publicatie: 'Weten wat werkt. Passend evaluatieonderzoek in het sociale domein'. Komt u ook naar het LCGW congres? Ik hoor graag van u welke ervaringen u heeft in uw gemeente met evaluatieonderzoek en wissel graag met u van gedachten over deze thematiek.

Jurriaan Omlo is als zelfstandig onderzoeker eigenaar van Bureau Omlo (www.jurriaanomlo.nl). Zijn onderzoek richt zich op sociale vraagstukken en evaluatieonderzoek. Daarnaast is hij verbonden aan de gemeente Rotterdam, waar hij betrokken is bij een evaluatieonderzoek naar het Nieuw Rotterdams Jeugdstelsel.

Het is zover! Na jaren van Haags gedoe mogen gemeenten eindelijk aan de slag met de decentralisaties. Het LCGW congres in maart 2015 staat dan ook uiteraard in dat teken. Want nu moeten we het gaan doen. Of zoals ze in het Fries stellen: It giet oan! Maar hoe precies, dat is nog de vraag. En hoe kan iedereen meedoen?

“Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd om verantwoordelijkheid te nemen”, zei koning Willem-Alexander in zijn eerste troonrede in 2013. Kortom: begin een moestuintje, zorg voor je zieke buurman of doe boodschappen voor je dementerende oma. “Participatie vraagt om verantwoordelijkheid en ruimte voor eigen initiatief.” Maar geldt dat wel voor iedereen?

Doen gehandicapten ook mee?
Participatie maakt mensen optimistischer, minder vaak ziek, creatiever en productiever. De oproep tot een participatiesamenleving biedt een unieke kans om anders naar onszelf en onze omgeving te kijken. Maar hoe is deze sociale participatie te rijmen in de wereld van de participatie van (jong)gehandicapten?

Hoe krijgen we mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt er weer bij?
Mensen die langdurig uit het arbeidsproces zijn hebben soms een duwtje nodig. Zoals opnieuw leren dat ze op tijd moeten komen. De kans krijgen om mee te mogen doen. Of de kans krijgen om te ontdekken wat ze graag doen. Zodat het vertrouwen weer groeit en ze een bijdrage kunnen leveren.

Sociaal ondernemen: een case
Erwin Wigbold heeft daar een eigentijdse visie op. Wigbold leidt de succesvolle sociale onderneming Visschedijk. Visschedijk werkt samen met gemeenten en SW-bedrijven uit de regio om mensen met een beperking of afstand tot de arbeidsmarkt te integreren in de samenleving. Met zijn team biedt hij onder andere schoonmaak- en hoveniersdiensten en verzorgt hij bijvoorbeeld catering. Wigbold biedt mensen een volwaardige baan. Iedereen krijgt de eerste dag hetzelfde uniform als alle werknemers. Iedereen ziet er hetzelfde uit, er is geen onderscheid. Niet de beperking telt in zijn bedrijf, maar het talent dat je wil inzetten om je van dienst te maken. Met zijn werkwijze ontwikkelen zijn werknemers zich opzienbarend beter door deze vorm van gehandicaptenparticipatie. Het blijkt een successtory.

Hoe benut je talent gericht?
Toch is het nieuwe samenspel tussen markt, overheid en samenleving nog een weg van oude hindernissen. Neem gemeentes die de jaarlijkse aanbesteding enkel op prijs doen. Die missen de verborgen kansen bij het inschakelen van een sociale onderneming. Die kosten weliswaar meer, maar leveren op ‘zachte’ waarden meer op. Kortom, waar stuur je op?

Congres LCGW 2015 
Tijdens het congres gaan we in op deze casus en vertellen we je meer over het gericht inzetten van talent in het bedrijf van Erwin Wigbold. Kom een kijkje in de toekomst nemen en laat je verrassen door de leerzame clinics over resocialisatie van (jong)gehandicapten, mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en andere vormen van burgerparticipatie. Meld je nu aan voor het congres, it giet oan!

Chris Kuypers
(secretaris LCGW)

Punt zes van het manifest gaat over loslaten. Loslaten zorgt voor mogelijkheden, ruimte en meer initiatief van burgers. Of zoals zo mooi uit de dromen van de VIP bus van Dennis Nolte blijkt: laat dromen werkelijkheid worden door ruimte te geven. Voor de gemeente betekent dit dat mensen, stichtingen en verenigingen niet door regels en beleid worden belemmerd.

Maar.....wil een stichting of vereniging wel losgelaten worden?

Jarenlang is er subsidie verstrekt en als je geluk hebt, gebeurt dit zelfs structureel. De subsidie is opgenomen in de begroting van de stichting. En zelfs keurig aan activiteiten of de huur verbonden, om de subsidie netjes te verantwoorden.

Maar wat als de gemeente loslaat en nieuwe beleidsregels opstelt voor subsidies? Er ontstaan mooie en creatieve initiatieven. Er zijn stichtingen en verenigingen die elkaar vinden en samen ideeën ontwikkelen.

Maar stichtingen en verenigingen met een structurele subsidie hebben het toch moeilijk. Hoe kunnen zij het gat in de begroting dichtten? Dit betekent het einde van de organisatie want alles was op orde en nu kan dit niet meer.

Of zoals een bestuurslid van de muziekvereniging vertelde: "Als we meer leden krijgen, groeien onze financiële problemen. De leden betalen de docent, maar wie betaalt de huur van de ruimte die nodig is? De huur werd altijd betaald uit de subsidie. Dus bij meer leden is er een grotere ruimte nodig. Dit betekent een hogere huur en een nog groter gat in de begroting”.

En dat terwijl je denkt dat elke vereniging meer leden wil? In die redenering missen we het bedrijfsmatige en creatieve denken. De Rabobank biedt cursussen aan om bestuursleden bedrijfsmatiger te laten denken. Het vrijwilligers steunpunt heeft vrijwilligers om de verenigingen te helpen met kortlopende activiteiten. De vorm van ondersteuning verandert.

Als ambtenaar leren we op de conferentie hoe we dromen en activiteiten de ruimte geven door het initiatief in de handen van de burger te leggen. Maar in hoeverre zijn verenigingen en stichtingen hier aan toe? Hoe kun je hen ook een omslag laten maken. Ook deze vraag behandelen we tijdens het congres.

De decentralisaties zijn een wisselwerking, niet alleen de ambtenaren hebben de mentaliteit van de Elfstedentocht rijder nodig, maar de gesubsidieerde organisatie ook. Dus vorm een team en beleef de tocht.

Petra Raaijen,

Gemeente Borger-Odoorn

Nog niet eens zo heel erg lang geleden bemoeide de overheid zich heel nadrukkelijk met het welzijn van de kansarmen onder ons. Niet alleen de armoede moest bestreden worden, er moest ook ‘goed fatsoen’ bijgebracht worden. Moeders leerden om hun kinderen op te voeden en vader werd geholpen om een arbeidsfatsoenlijk leven te leiden. De overheid kwam bij deze mensen thuis en legde de gedragingen van ‘goed fatsoen’ aan deze kansarmen op. Het is de geboorte van het welzijnswerk uit de jaren ’30 van de vorige eeuw.

Na de oorlog zien we langzaam een kentering ontstaan in dit paternalistische welzijnswerk. Onder invloed van de emancipatiebeweging richt het werkzijnswerk zich meer en meer op gelijke kansen voor iedereen. Ieder mens heeft gelijke rechten en ook kinderen uit achterstandsmilieus moeten kansen krijgen om zich te ontwikkelen en ontplooien. We schrijven de jaren ’60 en ’70 van de vorig eeuw waarin het welzijnswerk zich richt op het versterken van het individu. De sociale achtergrond van iemand is niet langer bepalend voor de ontwikkelkansen in het leven, maar de mate waarin het individu wordt gestimuleerd door zijn omgeving. Bemoeizucht is dan ook uit den boze en de emancipatie van het individu vierde hoogtij in die dagen. 

In de jaren ’90 van de vorige eeuw zien we dat het welzijnswerk het emancipatiebeginsel langzaam loslaat. Het woord emancipatie veranderende in ‘empowerment’ en ‘eigen kracht’. Niet alleen de omgeving is van belang voor zelfontplooiing maar ook de mate waarin mensen het ‘roer’ van het leven ter hand nemen. Als mensen door instituties en overheden vergeten zijn zelf na te denken, dan moeten die mensen weer in hun eigen denkbeeldige ‘kracht’ worden gezet. Welzijnswerkers, klantmanagers en consulenten draaide de hulpvraag om. De vraag was niet langer ‘wat is uw probleem, en hoe kan ik u helpen?’ Maar: ‘hoe denkt u uw eigen probleem op te gaan lossen?’ Het compensatiebeginsel deed zijn intreden vanaf 2000. ‘De overheid is er er alleen voor u als u zelf niet in staat bent regie te voeren over uw leven’.

In het licht van de enorme bezuinigingsronde waar gemeenten mee geconfronteerd worden en de veranderende visie van de overheid op burgerkracht en eigen verantwoordelijkheid, lijkt ook dit nu allemaal in sneltreinvaart te veranderen. De welzijnsinstellingen worden niet langer als enige eigenaar gezien voor de aanpak van achterstandswijken met het intrede van de Sociale Wijkteams. Als er nog sprake is van welzijnswerk, dan ligt het accent meer op preventie voor bijvoorbeeld duurdere zorg, omdat voorkomen wordt dat ouderen vereenzamen en verloederen, dan in het versterken van de emancipatie van het individu. Is dit een weemoedig verhaal over het welzijnswerk anno ‘nu’? Nee beslist niet!

Het thema sociale achterstand, fatsoen, omgang en solidariteit leeft meer dan ooit te voren. Daar waar instituties verdwijnen en de visie van de overheid verandert, komen er andere dingen terug. Niemand weet nu nog precies hoe dit er uit komt te zien, maar de contouren van die nieuwe wereld worden langzaam zichtbaar. Kleine groepen mensen organiseren zich. Of het nu gaat om mantezorgers die elkaar helpen en ervaringen uitwisselen; of ouders die andere ouders helpen met de opvoeding van hun kinderen in de Opvoedparty; of de Fier Sport Academie waarin slachtoffers van geweld elkaar helpen met verwerken; of het dorp als verzorgingshuis waarin iedereen voor elkaar zorgt zoals in Ubbergen. Het zijn voorbeelden van het welzijnswerk anno ‘nu’waarin inwoners zichzelf organiseren. Voor meer informatie kunt u een bezoek brengen aan het congres ‘Burgerparticipatie ontdooit, it giet oan’.

Victor Ledeboer
Gemeente Apeldoorn

De burgers en de gemeente zitten vaak in vastgevroren posities. Vaak weten ze niet goed wat ze van elkaar kunnen verwachten en waar de verantwoordelijkheden ligt. En voornamelijk: hoe spreek je elkaars taal? Dit geldt ook binnen de gemeentelijke organisatie. Een groep ambtenaren werkt hard aan de decentralisatie, maar weten de collega's wel waar het overgaat? Om al deze verhoudingen te laten ontdooien hebben alle partijen de doorzettersmentaliteit van een Elfstedentochtrijder nodig. Na alle systeemveranderingen rond de decentralisaties bent u in het voorjaar van 2015 vast wel toe aan reflectie. Hoe mobiliseren we gemeenschapszin en maken we voor de burgers duidelijk waar zij  verantwoordelijk voor zijn? En ervaren zij ook dat de overheid de kwetsbare burger niet laat vallen?

Als LCGW zijn we zelf aan de slag gegaan met het mobiliseren van gemeenschapszin. Dit gebeurt in een van de dorpen van de gemeente Achtkarspelen. Onze centrale vraag aan elke inwoner is “ben jij gelukkig in Gerkesklooster-Stroobos?” De antwoorden zijn vaak verrassend. Dit geldt niet alleen voor een dorp in Friesland maar ook in wijken van grote steden kom je dit tegen. Er is nog veel te doen in Nederland. Tijdens het congres in maart vertellen we ons verhaal uit het dorp en komen er twee inspirerende sprekers aan het woord. Erwin van Walegem en Bruno Doedens laten je zien hoe je als gemeente de gemeenschapszin kunt mobiliseren. 

Erwin van Waeleghem is geïnspireerd door Semco Style van Ricardo Semler. Zijn methode is gebaseerd op de kracht van geluk en het nemen van verantwoordelijkheid. Bij deze methode gaat het om samenwerken vanuit wederzijds vertrouwen en het transformeren naar sociale innovatie. Wat betekenen dit voor je werk als ambtenaar, zowel voor het contact met burgers als met je collega's en zelfs voor de inrichting van de gemeentelijke organisatie?  Erwin behandelt een aantal concrete voorbeelden uit overheidsorganisaties. Hij informeert ons daarbij over de principes die al meer dan 30 jaar gehanteerd worden in het Braziliaanse bedrijf Semco, van Ricardo Semler. Semco is het meest succesvolle voorbeeld van democratische en participatieve bedrijfsvoering. De centrale vraag is: hoe kunnen we deze principes inzetten om van de transitie een transformatie te maken? Een transformatie naar een inclusieve samenleving waarin iedereen meedoet en gelukkig(er) is. Verwacht niet dat je de voorbeelden, de principes en de tien punten uit het manifest zo kan overnemen. Ook Ricardo Semler heeft met vallen en opstaan zijn bedrijf tot de huidige situatie gebracht. Tijdens het congres leer je welke kansen en problemen je tegen kunt komen. Maar deel vooral je eigen ervaringen!

Bruno Doedens brengteen ode aan de onderbelichte kracht van de dorpscultuur. Bruno laat zien hoe je in het hele dorp de stilzwijgende gemeenschapszin en onbenoembare vanzelfsprekendheid kunt inzetten. Hij laat foto’s en een film zien van zijn gerealiseerde sociale kunstwerken. Laat je verrassen over wat je kunt doen met één zonnebloempit per inwoner! Ervaar dat onverwachte impulsen vanuit cultuur, sport en groen tot resultaat kunnen leiden. Maar ook hier geldt: zoveel verschillende mogelijkheden.

Dit congres mag u niet missen. It giet oan. We verbinden onze dromen met de echte wereld. We dagen u ook uit: zet uw talent en vakmanschap in tijdens het congres. Help anderen, durf u kwetsbaar op te stellen, deel uw kennis en laat u zien. Door samen de ervaringen en voorbeelden te delen, zorgen we samen voor een niet te mogen missen congres.

Het is zover! Na jaren van Haags gedoe mogen gemeenten eindelijk aan de slag met de decentralisaties. Daarom staat het LCGW congres 2015 in het teken van 'En nu gaan we het doen,' of in het Fries: It giet oan! Komt u ook?

Petra Raaijen,

Gemeente Borger-Odoorn en lid van de LCGW conferentiewerkgroep

In een donker Leeuwarden, op een vrijdagavond bij een schaaktoernooi van mijn zoon, denk ik  aan het congres van het LCGW, burgerparticipatie ontdooit. It giet oan. We zitten in een wijkgebouw met vele activiteiten. Zijn deze georganiseerd door de mensen zelf of heeft de gemeente subsidie verleend voor de dorpshuisfunctie of voor het stimuleren van ontmoeting?

Met detien punten van het manifest in het achterhoofd zou ik er vanuit moeten gaan dat het hele gebouw gevuld is met burgerinitiatieven. Ook de schaakclub heeft vele vrijwilligers waar de jeugd van profiteert.

De tien punten van het manifest waren al een cultuuromslag over de manier van werken van de gemiddelde gemeenteambtenaar. Anderen laten organiseren, verbinden, faciliteren en fouten durven maken. Daar gaat het om. Dit gebeurt al op vele plekken, met of zonder de gemeente. Een stap verder, daar gaat de conferentie over. Dit congres mag u niet missen. It giet oan. Tijdens het congres laten we u kennismaken met de koplopers uit het sociaal ondernemerschap. U krijgt oplossingen voor uw werkterrein, of dat nu jeugdzorg, participatie of de Wmo is. U krijgt de kans om te ontdooien. Zoals gebruikelijk op een LCGW-congres prikkelen we. Waar zit de blinde vlek? In 24 uur gaan we samen alles inzetten wat een Elfstedentochtwinnaar nodig heeft om de participatiesamenleving vorm te geven.

Over deze stappen, wat ging goed en waar ging het mis en wat leer je hiervan. De uitwisseling van eigen ervaringen en de ervaringen van anderen. Dit is de kern van de conferentie.

Erwin Wigbold is een sociale ondernemer. Hij kijkt verder dan de diploma's van de werknemers. Hij speelt het nieuwe schaakspel tussen de markt, overheid en de samenleving. Voor hem is het spel niet altijd makkelijk en vanzelfsprekend geweest. Hij vertelt welke obstakels hij tegenkwam en hoe hij deze overwon met of zonder de gemeente. Deze ervaringen wil de gemeenteambtenaar gebruiken om zelf die fouten niet te maken of te kunnen vertalen naar eigen werk. Want hoever kan en wil de ambtenaar loslaten, fouten durven maken en te vertrouwen op de eigen kracht van de burger. Er zijn namelijk ook wetten die de regels vastleggen, toch?

Tijdens de elf kernen-tocht ga je in gesprek met de ondernemers, burgers, professionals en collega's. Zij laten zien hoe sociale marketing werkt. Wat komt je tegen, wat werkt en wat niet? En hoe kan je de burgerparticipatie, vertaald naar je eigen gemeente, gezamenlijk oplossen?Zijn er op de verschillende plekken ook verschillende aanpakken nodig? Op deze vragen vind je samen met je team antwoorden. Als strategisch team kiest ieder zijn plek om de informatie te halen en te brengen.

Bruno Doedens refereert aan de onderbelichte dorpscultuur. Deze is sterk en kan tot mooie sociale kunstwerken leiden. Hij laat zien hoe deze gemeenschapszin gemobiliseerd wordt.  Zijn verhaal is gericht op een dorp, maar dit vind je ook in een stadswijk. In het verhaal wordt duidelijk dat de onbenoembare vanzelfsprekendheid zowel in een dorp als in een wijk aanwezig is en hoe deze geactiveerd wordt.

Voordat iedereen op de tweede dag samen de lunch nuttigt, worden de ervaringen tijdens de dagen uitgewisseld. Onder leiding van een gespreksleider vertelt ieder wat hij op zijn tocht meemaakte en  hoe je dit binnen je eigen gemeente kunt gebruiken.

Aan het eind van de conferentie is iedereen zich bewust van de tien punten van het manifest. Ook weet iedereen hoever hij of zij deze tienpunten al gebruikt. En hoe kan je dit verder ontwikkelen met de valkuilen en kansen die je tegenkomt. Warm geworden van deze bewustwording gaat iedereen met goede moed terug naar zijn eigen werkpraktijk en profiteert er als burger ook van. Lees alles over het congres.

Petra Raaijen,

Adviseur Gemeente Borger-Odoorn en lid van LCGW-conferentiewerkgroep

“Mijn droom is de drempel voor jongeren en jongvolwassenen lager te maken om mee te doen in de samenleving. Dit wil ik faciliteren door middel van een festival, waar ook ambtenaren, professionals en andere geïnteresseerden welkom zijn” - Chris Kuypers
(secretaris LCGW)

Soms heb je de mazzel om in de droom van een ander te mogen stappen. Dat deed ik, samen met een kluit andere deelnemers, op donderdag 16 oktober tijdens het Kansenfestival voor jongeren. Locatie: het kerkgebouw aan de Hoofdstraat 15 in het plaatsje de Steeg.

Het LCGW (Landelijk Contact Gemeentelijk Welzijnsbeleid) is een vereniging van en voor gemeenten. Hun doel is het bevorderen van de deskundigheid op alle relevante beleidsterreinen in de sociale sector. Dit gebeurt door het uitwisselen van ervaringen tussen gemeenten op studiebijeenkomsten en conferenties. Het LCGW is als vanouds gericht op de praktijk. Als secretaris krijgt Chris de vrije hand om een brug te slaan tussen de systeem wereld en de dagelijkse werkelijkheid.

Chris noemt zichzelf een avonturier die graag meevaart op de flow zonder altijd te weten wat de uitkomst zal zijn. Zo ook dit droomexperiment. Waarom een festival? Op een festival komen mensen samen. Ongedwongen, lekker vrij, nieuwsgierig en met de spirit om er een leuke dag van te maken. Het kansenfestival in de Steeg was een spin-off. Chris lanceerde zijn droom en er kwamen jongeren aan het woord. Wat was hun verhaal? Hoe zien zij hun toekomst voor zich? Wat zijn hun dromen? En, wat hebben zij nodig? In brainstormsessies dachten de deelnemers, waaronder ambtenaren en welzijnsprofessionals, met de jongeren en Chris mee. Zo gaf Chris zijn droom uit handen en werd deze geadopteerd door alle aanwezigen. Op het eind van de ochtend werd de buit gedeeld. Gedachten, ideeën en mogelijkheden voor een heus festival voor en door jongeren. Vanuit de dromen en ambities die zij zelf voor ogen hebben, op hun eigen en unieke wijze. Een festival waar naast muziek, kunst en cultuur, ‘kansen’ centraal staan. Kansen voor studie, werk, en ontwikkeling. Kansen voor de toekomst!

Inmiddels is bekend dat het festival er gaat komen. De een wil er die dag gewoon bij zijn. Een ander sluit aan met zijn eigen initiatief voor jongeren. Allemaal kadootjes voor Chris. Voorop staat dat de jongeren deze dag centraal staan.

We staan op de drempel van een nieuw tijdperk met vele maatschappelijke uitdagingen die vragen om nieuwe benaderingen en samenwerkingsvormen. Chris Kuypers heeft een droom om een jongerenfestival met als thema sociaal domein te organiseren. Heb jij ook een soortgelijke droom en wil je jouw droom verbinden met de droom van Chris? Kom dan ook op 16 oktober 2014 in de Kerk in de Steeg.

Door LCGW zijn we uitgenodigd om de 22ste European Social Services Conference in Rome bij te wonen. Wij van het Actieplan Jeugdwerkloosheid Holland Rijnland hebben deze uitnodiging enthousiast geaccepteerd. Voor mij was dit de eerste keer en ik was dan ook erg benieuwd welke ervaringen ik kon delen en uitwisselen, maar vooral ook wat het zou opbrengen.

Drie dagen lang zijn er veel workshops gegeven afgewisseld door plenaire bijeenkomsten en presentaties. Het thema “Social inclusion and social development” werd vanuit velerlei invalshoeken, projecten en ervaringen gepresenteerd. Er werd vooral gedeeld wat werkt om mensen uit hun isolement te halen en daardoor weer actief te laten participeren in de maatschappij.

Ook was het onze beurt om te participeren in het congres. Onze ervaringen met het terugdringen van de jeugdwerkloosheid in Nederland, maar specifiek in de arbeidsmarktregio Holland Rijnland, hebben we gepresenteerd aan de hand van de resultaten en werkwijze van project JA! (jongeren op de arbeidsmarkt). Veel mensen tekende in voor de workshop, maar helaas verliet een derde van de bezoekers de zaal toen ze erachter kwamen dat er ook actieve deelname aan de workshop werd verwacht Dit beeld zagen we ook bij soortgelijke workshops. Een leermoment voor komende conferenties.

De workshops die ik heb bijgewoond waren inspirerend en interessant. Hierdoor hebben we afspraken gemaakt met Duitse en Belgische deelnemers om good practices uit te wisselen en te onderzoeken waar we actief kunnen gaan samenwerken. Daarnaast hebben we goede gesprekken gehad met de vertegenwoordiging van Divosa. In het bijzonder over de noodzaak van alternatieve vormen van onderwijs voor kwetsbare jongeren die (nog) niet passen in het reguliere MBO, maar wel leer- en ontwikkelbaar zijn. Divosa zal zich sterk maken voor het uitdragen van dit aandachtsgebied onder haar leden naast diverse andere lobbycircuits richting lokale en landelijke overheden.

Dus ja, het bijwonen van de conferentie heeft zeker een bijdrage geleverd aan de initiatieven in eigen regio.En we gaan onderzoeken of een transnationaal project tot de mogelijkheden behoort. Rome was dus in alle opzichten een inspirerende stad om een conferentie als deze te houden!

Volgend jaar de conferentie in Lissabon. Alweer zo’n prachtige stad!

Door Joost Bruggeman, Jos Valk en Chrissie van der Meijden, Actieplan Jeugdwerkloosheid Holland Rijnland

Waar staan die letters ook al weer voor? Iets met welzijn en zo. Moet je daarvoor naar Rome, Jan Willem? Is ons eigen land niet inspirerend genoeg op het gebied van welzijn? Ik kan niet anders dan zeggen dat mijn verwachtingen van het ESN congres in Rome dan ook hooggespannen waren. ESN, European Social Network Services, deze letters dekken de lading wel. Het gaat vooral om netwerken en bij elkaar in de keuken kijken. Met name de workshops geven verschillende landen op geheel hun eigen wijzevol passie entrots oplossingen aan voor zorg en welzijn. 

Wat mij sterk opviel was dat In Nederland eigenlijk, met name door de decentralisaties een geheel nieuwe weg wordt ingeslagen waarbij er een sterk beroek wordt gedaan op de samenleving zelf. Dit staat in contrast met, met name de Scandinavische landen, die een nieuw soort verzorgingsstaat aan het opbouwen zijn en hierin aan het verzuilen zijn.

Een spannende materie zo constateerde ik voor mezelf. Juist met kennis van de kantelingsgedachte zie ik juist vele voordelen in de weg die we in Nederland zijn ingegaan. Voordelen in euro´s te benoemen, maar meer nog in een ontwikkelende participatiemaatschappij, waarbij participatie vooral breed ingezet kan worden.

In mijn eigen gemeente Achtkarspelen zie ik hiervan mooie voorbeelden die zeker niet zouden misstaan op een dergelijke conferentie. De camping bijvoorbeeld waar ruimte is om in grote hoeveelheden te koken, een plaats waar ouderen samen kunnen komen om samen te eten, een plaats waar verschillende doelgroepen elkaar ontmoeten en samen de wijk in trekken om te klussen, of gewoon een praatje te maken in de buurt. Echte betrokkenheid.

Helaas staan de regionale krantjes ook vol met ingezonden brieven van burgers die zich ergeren aan het te lange gras, het niet schoffelen van de plantsoenen en het niet plaatsen in een verpleeghuis. Het zou juist zo mooi zijn dat deze mensen eens nader met elkaar in gesprek gaan en hun gedachten kantelen naar welke verantwoordelijkheid zij zelf hebben. Dat vind ik spannende onderwerpen, onderwerpen die misschien door de grote differentiatie op het congres niet echt plenair aan bod kwamen, des te meer in de wandelgangen en aan de tafel van de LCGW. Rome was voor mij inspirerend en bevestigde mij erin dat we er nog lang niet zijn in Nederland, maar dat we wel een weg zijn ingeslagen… enne LCGW? Waar stond dat ook al weer voor? Ik denk dat we in dit brede LCGW verband elkaar heel hard nodig hebben om juist ook hier met elkaar over uit te wisselen.

 

Jan Willem Zwart,
programmamanager

Voor dat thema had het ESN ons gevraagd een Nederlandse delegatie samen te stellen. En daarom vloog  ik namens het LCGW begin juni naar Barcelona. In het vliegtuig vroeg ik me af wat de meerwaarde zou zijn van de bijeenkomst: wat kunnen wij leren van andere landen? En wat kunnen zij van ons leren?
 
We starten in Barcelona met een gezamenlijke maaltijd de avond voor het congres. Gelukkig: allemaal “gewone” mensen, al dan niet in maatpak of cocktailjurkje. Maar in ieder geval is iedereen bereid over zijn/haar eigen grenzen te kijken (letterlijk). Tijdens het diner schakelen we gemakkelijk over naar de Engelse taal. Dit wordt wat lastiger als we de dag daarna in het Palau de Pedralbes zitten. Het voormalige zomerpaleis van de koning is de entourage waar het event plaatsvindt. Een vertaling naar het Engels van ‘transities in het sociale domein’, ‘eigen kracht’ en hoe de lokale overheden hiermee omgaan levert toch een speurtocht naar de juiste bewoordingen op. Gelukkig zijn er tolken aanwezig die dit nog omzetten naar het Catalaans….
De bijeenkomst wordt geopend door de Catalaanse minister van Jeugd. Zou onze commissaris van de Koning in Friesland dit ook zo doen, vraag ik me af: een openingsspeech in de eigen taal. De eerste sprekers geven vooral de formele lijnen aan. Er zijn thema’s die in alle landen spelen: armoede, kostenstijging, steeds complexer wordende zorg en stelselwijzigingen. 

Herkenning en nieuwe inzichten
Na deze sprekers komen de individuele landen aan bod. Het Nederlands jeugdinstituut houdt een presentatie over de transities. Dit levert veel vragen op: is dit de goede weg? De uitwisseling die volgt is interessant: Polen, dat als nieuwe democratie vooral zoekend is naar een manier om het systeem in te richten, Schotland dat al sinds de jaren ’60 de gemeenschap actief betrekt bij jeugdbeleid. Dat ook jongeren actief worden ingezet bij de beleidsevaluatie, spreekt me aan. Duitsland – met het Jugendambt, en Catalonië, waar de economische crisis een directe impact heeft op jeugdbeleid. Kortom – veel herkenning, maar ook nieuwe inzichten.
Zoals bij de meeste congressen, nationaal of internationaal, leveren de pauzes de meest vruchtbare gesprekken op. “Hoe doen jullie dat nu in de praktijk?” Die vraag wordt aan de lopende band gesteld.

Inbreng van de jeugd
Eén item dat op het eind van de middag langs komt is hoe we onze jeugd zelf betrekken bij de plannen en het beleid. Hier blijkt iedereen, ongeacht land van herkomst, mee te worstelen. Onze Catalaanse collega ziet hier een thema opkomen voor een nieuw congres…. In dat geval wil ik wel weer van de partij zijn. Want – naast de herkenning is er zeker veel nieuws te halen buiten onze eigen landsgrenzen.
Na de conferentie vertrekken de meesten huiswaarts. Zelf heb ik nog een dagje Barcelona voor de boeg. In de wachtrij bij de Sagrada Familia kom ik een bekende tegen: een collega van de Poolse delegatie heeft besloten ook nog een dagje langer te blijven. Herkenning, en de conclusie dat de overeenkomsten tussen ons allen groter zijn dan we vooraf hadden bedacht. Een mooie conclusie van een leerzame reis!

Joland Verbiesen,
Bestuurder LCGW Zuid

Tijdens de eerste dag van de cursus “Ruimte maken voor beleidsambtenaren’ drong ineens tot me door waarom ik altijd zo’n hekel had aan burgerparticipatie. Zo’n tien jaar geleden werkte ik bij de gemeente Arnhem. Daar deden we ook aan burgerparticipatie. Dat was voor mijn gevoel toen heel vooruitstrevend en in elk geval vol goede bedoelingen. En het ging zo: mijn collega’s van de dienst Stadsbeheer maakten mooie herinrichtingsplannen voor de stad en wij gingen samen met de wethouder aan de bewoners vragen wat ze van die plannen vonden. De uitkomst was altijd gelijk. Het was niet goed of het deugde niet. Wat de één mooi vond, vond de ander lelijk. Wat de één handig vond, vond de ander ontzettend ondoordacht. En de gemeente had het altijd fout gedaan. Daar kon je tijdens zo’n bewonersavond lekker tegenaan klagen en schoppen. Burgerparticipatie? Snel afschaffen. Het kost alleen maar veel tijd en het is toch nooit goed.

En dat vind ik nog steeds. Ik vind burgerparticipatie nog steeds niks. Maar nu vanuit een heel ander perspectief. Niet omdat ik denk dat overheid het beter weet en bewoners alleen maar lastig zijn, maar omdat ik denk dat bewoners het juist beter weten. En dus moeten bewoners niet participeren in het beleid van de overheid, maar moet de overheid participeren in initiatieven van bewoners. Overheidsparticipatie! Daar ben ik voor gevallen. Want bewoners weten namelijk veel beter wat goed is voor henzelf en de buurt dan de overheid. Bewoners hebben ook veel originelere ideeën. Daar zit energie en kracht. En daarom doe ik mee aan de LCGW-cursus ‘Ruimte maken’. Ik wil leren ruimte maken, enthousiasmeren, faciliteren, loslaten. Maar dat is nog niet zo gemakkelijk. Want dan moet je namelijk op je handen gaan zitten en ook leren vertrouwen. Dan moeten initiatieven ook fout mogen gaan. Oh jee! Gelukkig hebben we nog twee cursusdagen om te oefenen…

Marielle van Heertum, Gemeente Ubbergen

 


 

Mijn kinderen zijn apetrots dat ik vanuit de Oranjevereniging meehelp Koningsdag te organiseren. Ze helpen graag mee en enthousiasmeren hun vriendjes en vriendinnetjes. Het is al weer een tijdje terug dat ons gezin kennismaakte met Sanne. Ze was nieuw in het dorp, lunchte hier regelmatig mee en al snel hielp ze ook mee met de voorbereidingen van het feest.
Ook onze jongeren betrekken we bij de organisatie. Kartrekker is Sem, de grotere broer van Sanne. Een rustige jongen met gezag, ook onder de oudere jongeren.

Mijn droom: jeugdgezinshuizen
Na een paar jaar hadden Sem en Sanne duidelijk hun plek op school en in het dorp gevonden. Toen kwamen de donderwolken. Ze werden in korte tijd uit huis geplaatst. Uit de gemeenschap getrokken, weg van vrienden, buurt en familie. Ik denk vaak dat we dit als gemeenschap hadden kunnen voorkomen. Door met z’n allen de kinderen, ouders, buurt, school, sportvereniging bij te staan. Ik heb dan ook een droom: jeugdgezinshuizen.

A village to raise a child
Om dat uit te leggen, moet ik wat vertellen over klinisch psycholoog Brenda Kraus Eheart. Zij raakte meer en meer gefrustreerd over de resultaten van weeshuizen in de VS. Kinderen werden niet geadopteerd, keerden niet terug naar huis, bleven in het systeem. Brenda en een groep bevriende pleegouders richtten de Stichting “We doen het voor onze kinderen” op. Ze ontwikkelden een model gericht op de basisbehoeften van een kind: tenminste één ouder die er altijd is, veiligheid en gemeenschap. De stichting bedacht een omgeving die ze voor hun eigen kind zouden wensen als het faliekant mis zou gaan in de zorg voor hun kind, of in de ouder-kind relatie.

Brenda’s diepste droom werd een dorp waar niet-adopteerbare kinderen geadopteerd kunnen worden door liefhebbende, zorgende ouders. Met opa’s en oma’s en vriendjes en vriendinnen en professionele ondersteuning. Brenda deelde haar droom en kreeg het voor elkaar. Haar ‘village to raise a child’ kwam er: 30 huizen voor ouders die maximaal 4 kinderen permanent wilden opvangen. Tenminste één ouder kon thuis blijven en ze krijgen ondersteuning van senioren in de wijk, die weinig huur betalen in ruil voor minimaal 6 uur per week vrijwilligerswerk als opa of oma. Uiteindelijk zijn er veel warme contacten in het dorp ontstaan.

Carola
Een paar jaar later kwam Carola, een klasgenoot van mijn oudste dochter, in de problemen. Haar ouders konden niet meer voor haar zorgen en ze kwam bij ons in huis. Dit leverde tal van problemen op met Carola en met mijn eigen kinderen. Ik ben geen professional en had voor het eerst in mijn leven behoefte aan opvoedingsondersteuning. Gelukkig heb ik veel professionele vrienden en ze stonden me met raad en daad bij. Met de officiële jeugdzorginstanties was het een stuk moeilijker, het kostte me veel tijd en energie om hen erbij te houden. Uiteindelijk is het met Carola goed gekomen en ze studeert nu Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Ze komt bijna elk weekend thuis.

Dit keer was ik veel meer tevreden over de afloop. Maar er miste nog wat. Ik voel me niet geëquipeerd om deze opvang te bieden. Maar achteraf wijzer geworden zou ik het nog eens doen, mits ik een professioneel team om me heen zou hebben.
Mijn droom is een netwerk van jeugdgezinshuizen in Nederland. Als een kind in de problemen komt kan het kind op school, in de buurt, op de sportvereniging en in de gemeente blijven.


Wie neemt het voortouw?
Ben jij de pionier die ik zoek? We zullen het met zijn allen moeten doen. Maar iemand moet het initiatief nemen. Het gaat erom dat iemand in de gemeente het initiatief neemt voor verandering. Dat kan een betrokken burger, een professional of gemeente-ambtenaar zijn. Wat volgens mij nodig is dat iemand het voortouw neemt en de verantwoordelijkheid voor de realisering van een jeugdgezinshuis op zich neemt. Als ik heel eerlijk ben heb ik daarbij wel een voorkeur. De meeste kans is er volgens mij als een betrokken professional het voortouw neemt.

Ik roep dan ook de professionals in de jeugdzorg op de stelselwijzing als een echte kans te zien om het beter te maken voor onze kinderen. Neem het voortouw en maak het verschil bij jou in de gemeente of buurt. Zoek partners in je gemeente die positief mee willen denken. Organiseer je, net als Brenda, met een doel waar jullie voor gaan. Vraag de gemeente om dit initiatief te steunen. Aan gemeenten vraag ik deze vernieuwing als een kans te zien, benoem het als een tijdelijk project, een pilot, zodat alle regels die er zijn niet in de weg hoeven te zitten. Instellingen ondersteun dit initiatief, maak de stap naar co-creatie tot een betere opvang. Durf daarbij fouten te maken, maar let daarbij vooral op het kind waar het om gaat.

Gemeente: ondersteun pioniers!
Tot slot misschien een tip voor de gemeente. Veel professionals in de jeugdzorg zijn momenteel onzeker over hun baan. Ik kan me goed voorstellen dat dit verlammend werkt. Als gemeente kunt u pioniers in de jeugdzorg actief ondersteunen. U zou ze een vergoeding uit het nieuwe lokale budget voor de jeugdzorg kunnen geven. U kunt het wellicht als een pilot voor 2 jaar zien, zodat alle regels en vergunningen op orde komen. Daarbij kunt u actief ondersteunen.

De gemeente kan dit initiatief opnemen in haar visie om te komen tot een pedagogisch klimaat voor alle jongeren in haar gemeenten. Het initiatief kan later uitgebreid worden naar jongeren met een handicap, etcetera.

Laten we de decentralisaties zien als kans om het beter te maken.
Zodat de zon gaat schijnen voor alle Sanne’s en Sem’s.

Ondersteuning nodig?
Het LCGW heeft een dreamteam dat graag kostenloos bij u op bezoek komt.

Chris Kuypers

 

In deze tijd van transities is sterk leiderschap essentieel. Het is een uitdagende tijd voor veel van onze leden. Het bestuur van het LCGW toont meer betrokkenheid dan ooit, door kennis en ervaring te delen met collega's in heel Nederland. Naast deze hands-on mentaliteit hebben we een visie ontwikkeld voor de toekomst van het LCGW.

Ook dit jaar kun je van het bestuur uitnodigingen voor lezingen, workshops en werkbezoeken ontvangen. En het bestuur gaat nog een stap verder. Je kunt na een congres ook actieve ondersteuning krijgen om de nieuwe inzichten in de praktijk om te zetten. Het bestuur komt je graag een steuntje in de rug geven.

Samenwerking
In een tijd van decentralisatie van veel welzijns- en zorg taken naar de gemeenten, ziet het bestuur nieuwe samenwerkingen ontstaan. Het bestuur heeft daarom zelf ook gewerkt aan een nieuwe visie op samenwerking en partnerschappen in de toekomst. Zo zijn we een partnerschap met Stimulansz aangegaan. Dit is uitgewerkt in de toekomstvisie ‘doorontwikkeling en professionalisering LCGW’.

Het eerste zichtbare resultaat was de voorjaarsconferentie ‘relaties op de werkvloer’ die we samen met Stimulansz hebben georganiseerd. De deelnemerslijst liet opvallend veel pionierende gemeenten zien. Samen gaan we de komende jaren ongebaande wegen in. Het doel is een beter sociaal domein.

Marianne Ruigrok
Voorzitter

In de afgelopen decennia heb ik als ambassadeur van het LCGW en in mijn functie als lid van het Team Europa van de Europese Commissie veelvuldig gepubliceerd op de website van LCGW; over de verzorgingsstaat van Nederland en over de ontwikkelingen en toekomst van de Europese Unie. Ik vind dat er vanuit de brede sector Welzijn nog te weinig wordt gediscussieerd en gepubliceerd over huidige en nieuwe ontwikkelingen.

Ik heb een drie-D-formule gemaakt die een leidraad kan zijn voor alle organisaties die zich met de verzorgingsstaat bezig houden:

D- Denken
D- Debatteren
D- Doorgeven

Deze drie D’s zijn een eenheid, maar ik wil vooral de nadruk leggen op de laatste D. Van veel werkbezoeken in het binnenland en buitenland verschijnt na afloop geen verslag. Of het verslag blijft beperkt tot een kleine interne eigen kring. Mensen geven slechts zelden hun mening over beleid en ontwikkelingen. De laatste tijd gaat het overigens iets beter, ook op de website van het LCGW. Maar we publiceren nog te weinig en geven te weinig kennis en ervaringen aan elkaar door. Dat doorgeven is juist belangrijk om je een mening te vormen en om te kunnen debatteren. Binnenkort start het LCGW met een eigen blog. Dat juich ik toe. Het is in geval een duidelijke stap in de goede richting. Maar ook wat dieper gravende stukken blijven gewenst.

In het veld en bij de gemeenten zijn velen druk bezig ( geweest) met de voorbereidingen voor de Wmo en de sociale participatie van burgers. Eindelijk verdwijnen de schotten tussen welzijn, onderwijs en sociale zaken en werkgelegenheid. Vaak krijgen de gefuseerde afdelingen een nieuwe naam: Samenleving.

Ook in deze sector Samenleving is er helaas amper of geheel geen interesse voor Europa. “De EU is iets voor landbouw, handel en de Euro”, denkt men. Maar dat is flink aan het veranderen. Eind vorig jaar heeft het Europees Parlement de meerjarenbegroting 2014-2020 vastgesteld. Er is 10 % op deze begroting bezuinigd, maar er is juist extra geld gestoken in twee hoofdprioriteiten: het bevorderen van de werkgelegenheid voor jongeren én innovatie, research en onderzoek.

Deze laatst genoemde prioriteit staat in het ambitieuze programma HORIZON 2020, dat je eenvoudig kunt vinden via Google. Het gaat over veel terreinen, bijvoorbeeld over Bio-Based Economy, maar ook over innovatie in de medisch-sociale sector op regionaal en plaatselijk niveau. In het Noorden des Lands is er het succesvolle Healthy Ageing Project Noord Nederland (te zien via Google). Daar kan de Welzijnsector wat van leren. De gemeenten wordt gevraagd of zij coalities willen sluiten met bedrijven en instellingen die kunnen uitmonden in haalbare subsidies op de diverse beleidsterreinen.
Europa wordt ook dus lokaal steeds meer zichtbaar.

Hans van Borselen

Sociaal Nederland bereidt zich voor op de komende grote decentralisaties. Voor wie het heeft gemist: gemeenten nemen de verantwoordelijkheid voor zorgtaken over van het rijk en de provincie. Onze zorg wordt een lokale aangelegenheid met de andere overheden meer en meer op afstand. Een enorme verandering die vraagt om een nieuwe gemeentelijke koers.

We zien gemeenten voor beleidsontwikkeling en inkoop kiezen voor regionale samenwerking. Tegelijkertijd duikt men de wijk en het dorp in. Dit wordt gezien als het meest aantrekkelijke niveau om de nieuwe participatiesamenleving gestalte te geven. Daar moeten de burgers aan de slag, het heft in eigen hand nemen. Met plezier zelf vorm geven aan hun eigen leven en tegelijkertijd de door de beleidsmakers gewenste bezuiniging realiseren. Maar professionele ondersteuning blijft ook voorhanden.

Sociale wijkteams als het ei van Columbus
De meeste gemeenten zien, aangemoedigd door de VNG, de bundeling van professionele ondersteuning in sociale wijkteams als het ei van Columbus. Soms echt in één team en in andere gevallen in meerdere teams rondom verschillende doelgroepen of problematieken. Korte lijntjes onderhouden, goed contact met de buurt leggen, een efficiënte doorverwijzing organiseren en daar waar mogelijk de eigen kracht van de burgers aanboren. Collectieve oplossingen inzetten voordat een beroep wordt gedaan op individuele verstrekkingen. Dat zijn de opgaven waarvoor de teams zich gesteld zien. En er is veel enthousiasme voor deze veranderingen. De eerste onderzoeken, o.a. in Nijmegen, laten zien dat de werkvloer tevreden is. De tegengeluiden lijken vooral te komen vanuit de leiding van grote instellingen die hun imperia zien verbrokkelen door deze wijkteams.

Huisarts al sinds jaar en dag in de wijk
Maar wordt het niet erg druk in de wijk? Sinds jaar en dag zit daar bijvoorbeeld al de huisarts. Eerst in de vertrouwde solopraktijk aan huis. En de laatste decennia meer en meer samen met collega artsen samen onder een dak in een groepspraktijk. Een praktijk die in veel gevallen ook weer onderdak biedt aan andere disciplines zoals fysiotherapeuten of maatschappelijk werk. Zo ontstond er in veel gevallen ook rond de huisarts al een team. Met de huisarts als “front-man” die, als we de weekend waarneming meenemen, 7x24 uur bereikbaar is. Weliswaar niet meer als wijkbewoner, zoals vroeger met de praktijk aan huis, maar wel als betrokken professional, als vertrouwenspersoon met wortels in de wijk.

Het is dan ook niet vreemd dat de huisarts een van de belangrijkste verwijzers is voor de nieuwe sociale wijkteams. Eerder zou de vraag mogen worden gesteld waarom die nieuwe wijkteams eigenlijk tot stand komen naast de gezondheidscentra? Zeker als we bedenken dat door de gewenste kostenbesparingen in de zorg ook verschillende praktijkondersteuners hun intrede hebben gedaan in deze gezondheidscentra. Bijvoorbeeld de GGZ verpleegkundige ter voorkoming van verwijzing naar dure ggz zorg. En nog mooier wordt het nu de huisarts zelf ook meer en meer het sociale aspect onderkend als onderliggende oorzaak voor medische klachten. Meer verwijzing naar welzijnsactiviteiten in plaats van medicatie. De verzekeraars zijn er blij mee en het past in de gemeentelijke filosofie. Onder de naam Welzijn op recept haalde deze aanpak recentelijk de voorpagina’s in de krant.

Dubbelop?
Maar gaat het nu niet dubbelop? Waar zit het verschil tussen de keukentafelgesprekken door het wijkteam en het vertrouwelijke gesprek aan het bureau van uw huisarts ? Gaan nu de sociale professional en de huisarts niet al teveel op elkaar lijken? Zoals een jaar of tien geleden de jongerenwerker en de politieagent een zelfde profiel leken te ontwikkelen. Ik ben benieuwd of de stedelijke beleidsmakers of de praktijkmensen in de wijk zelf de verschillen duidelijk kunnen aangeven. Gaan de wijkteams iets wezenlijk anders doen? Of is er simpelweg toch sprake van een blinde vlek en worden er circuits naast elkaar opgetuigd in plaats van iets dat al bestaat (de gezondheidscentra) te verbeteren en zo nodig te verbreden ?

Maar nog wezenlijker is de vraag of u als burger aan de andere kant van de tafel te maken krijgt met professionals met een “doenersmentaliteit” of zijn het louter verwijzers. Met als gevolg dat u dan toch maar liever meteen naar de 1e hulp van ziekenhuis of crisisopvang van de GGZ gaat. Want daar wordt u immers toch naar verwezen ?

Maarten Loeffen, vice-voorzitter van LCGW, de landelijke vereniging van welzijnsambtenaren in Nederland.

In de westerse wereld zijn er in de afgelopen maanden weer enkele economische lichtpuntjes te ontdekken. De Amerikaanse begroting voor 2014 is weer vastgesteld, er is weer wat economische groei en in de USA wordt flink geïnvesteerd. Er zit ook weer een kleine vooruitgang in de Wereld Handelsorganisatie (WTO) zodat er enkele belemmeringen opgeruimd zijn in het meer open handelsverkeer tussen de USA en de Europese Unie. En de afname van de schuldleningen van enkele landen bij de Europese Centrale Bank (ECB) is duidelijk gaande. Ierland heeft alles terugbetaald, Spanje is op de goede weg en daar is de werkloosheid licht gedaald. Zelfs Griekenland schiet aardig op met het inlossen van zijn verplichtingen.

Begroting
De regeringsleiders van de EU hebben een aantal weken geleden het besluit genomen om met ingang van 2016 de Europese Bankenunie te laten beginnen. Het kernpunt van deze Unie is dat de grotere banken aan de hand van veel en sterke voorwaarden hun eigen balansen in evenwicht moeten brengen. De controle hierop ligt in handen van de ECB. Nationale overheden gaan in principe geen grote bedragen meer storten bij de ECB, welke deze weer uitleent aan grote nationale banken. We hebben nu de euro, het maximum van 3% van het toegestane begrotingstekort per lidstaat en in 2016 komt de Europese Banken Unie eraan. Na deze drie kernzaken zal het slotstuk moeten volgen, namelijk een gezamenlijke economische politiek op hoofdlijnen.

De Europese Unie heeft het gepresteerd om haar zevenjarige begroting (2014 tot 2020) met 100 miljard euro terug ter brengen tot 900 miljard. Dat is 10% korting op deze begroting, overigens hetzelfde percentage als de Nederlandse begroting. Die begroting is onlangs door het Europees Parlement goedgekeurd. Twee prioriteiten springen eruit: bestrijding jeugdwerkloosheid en wetenschap, onderzoek en innovatie. De jeugd moet betere opleidingen krijgen die meer aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven. De andere prioriteit is om het bedrijfsleven meer concurrerend te maken en daarmee de werkgelegenheid - met name voor jongeren - te laten groeien. Er komt minder geld voor de landbouw en de regionale fondsen. Die fondsen zijn met name gericht op de armere landen binnen de EU, in het bijzonder op Midden- en Oost-Europa. Verder wordt er aanzienlijk bezuinigd op personeel van de Europese Commissie en de relatief hoge salarissen.

Samenwerking
Behalve geld is er ook meer aandacht voor snellere ambtelijke procedures, want wachten op aanvragen bij de Unie kan wel heel lang duren.
In het afgelopen jaar zijn er al veel prikkelende discussie geweest in veel staten over: hoe ver gaan we met de samenwerking, gaan we meer taken overdragen aan de Unie in Brussel of gaan we bevoegdheden van “Brussel” terughalen naar de afzonderlijke lidstaten? De meesten landen neigen naar het tweede en het Verenigd Koninkrijk gaat binnen twee jaar een referendum houden om van zijn inwoners te vernemen of hun land maar moet vertrekken uit de EU. Er staat wel een merkwaardige interne tegenstelling: lidstaten willen meer bevoegdheden terug en nu blijkt bij de voorbereiding van de Banken Unie dat op dit terrein men juist weer bevoegdheden overdraagt. Vrijwel alle landen kunnen leven met de uitspraak “Europa waar het moet, Nationaal waar het kan!“ De vraag is natuurlijk wel of de opvatting “het moet“ overal gelijkluidend wordt uitgelegd. Velen zijn van mening dat Europa zich overal mee bemoeit, maar dat is een grote misvatting. Want onderwijs, zorg, welzijn, cultuur, sport, jongeren, ouderen, huisvesting, ruimtelijke ordening en verkeer zijn beleidsterreinen waar de EU geen of amper zeggenschap over heeft.

Draagvlak
Het is natuurlijk een belangrijke vraag of de Europese Unie genoeg draagvlak heeft onder de bevolking van de 28 lidstaten. Helaas is dat niet het geval, de kiezersopkomst is vrij laag. Het hele Europese gebouw is behoorlijk ingewikkeld en kent verschillende organen en procedures, maar de Unie is direct en indirect van aanzienlijk belang voor de burgers, maar die weten er weinig of niets van. De EU, de nationale regeringen en ook het Europees Parlement hebben bijna altijd hun “verhaal“ van boven naar beneden gebracht zonder er bij na te denken wat de burgers wel of niet weten, en veel te weinig hun kiezers - met name jongeren - opzoeken en met ze discussiëren. Veel burgers hebben wel hun ideeën en wensen, maar die moeten worden uitgenodigd om die naar voren te brengen. In Fryslân hebben de gezamenlijke MBO- en HBO-instellingen de handen ineen geslagen om Europa telkens op de agenda van studenten te zetten. Onder de bezielende leiding van mentoren, tezamen met externe deskundigen krijgen hun studenten meer inzicht in de EU en beseffen dat deelnemen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement nuttig en gewenst is.

Het Europa-debat moet niet alleen op nationaal niveau gevoerd worden, maar juist op plaatselijk en regionaal niveau. Daar kunnen de waarde en resultaten van Europa voor de eigen regio en gemeenten concreet gemaakt worden. Zo’n lijst van resultaten van wat de EU en het Parlement de afgelopen vijf jaar hebben bereikt is nu beschikbaar en kunnen campagnevoerders tegenover kiezers aantonen in welke mate het Noorden van ons land en Fryslân in het bijzonder profijt hebben gehad van het regionale beleid van de EU.

Hans van Borselen
Regio Ambassadeur van de Europese Beweging Nederland

DE  STAAT  VAN  NEDERLAND  NU  EN ADMIRAAL  DE  RUYTER  TOEN

De laatste weken horen wel we telkens het aantal van 3 % begrotingstekort. Als we ruim dertig jaar terugblikken komen we uit bij het 1e kabinet Van Agt ( 1977 – 1981), bestaande uit het CDA en de VVD, die stoelde op een meerderheid van slechts 77 van de 150 Tweede Kamer zetels. Maar binnen de CDA fractie , waarvan Lubbers  na Aantjes voorzitter was ,  waren er wel zeven dissidenten die het kabinet flink dwarszaten. Met name minister van Financiën Andriessen kreeg zijn bezuinigingsoperatie Bestek ’81 er niet door , waardoor hij in 1980 aftrad. De bezuinigingen waren toen hard nodig , maar het begrotingstekort liep aan het eind van de kabinetsperiode op tot 9 %. Dat was mede te wijten aan het enorm uitbreiden van het bestand aan rijksambtenaren, die allemaal graag nota’s schreven  en nieuwe beleidsregels opstelden.

Vandaar dat in de daarop volgende kabinetten Lubbers er een grote deregulering werd aangekondigd. Dat was natuurlijk mooi , maar er kwamen veel meer regels erbij zodat de balans alleen maar negatiever werd. Het ambtelijk apparaat werd steeds logger en men had te weinig tijd en aandacht voor vele uitvoerende rijkstaken . En zodoende werden er vanaf begin jaren negentig enkele honderden uitvoerende diensten omgezet in zogenaamde Zelfstandige Bestuurs Organen ( ZBO) , waaronder o.a het COA. Deze ZBO’s zijn zeer autonoom met een Raad van bestuur en een Raad van Toezicht. Er is weinig politieke , ambtelijke en financiële controle  op deze organen , met vele negatieve gevolgen van dien . De Algemene Rekenkamer heeft telkenmale daarop gewezen, maar met die rapporten werd door de politiek amper iets gedaan. En de Raden van Toezicht van de grotere ZBO’s werden met name bevolkt door ex-politici , die al lang grossieren in dat soort leuk betaalde nevenfuncties. U kent ze wel : de Nijpels, de Hermans en de Brinkmannen , die onvoldoende op fouten in beleid en organisatie letten. Na de vele affaires van de laatste jaren is de kans groeiende dat de autonomie van deze organisaties in en volgende kabinetsperiode ingeperkt gaat worden.

Intussen heeft de rijksoverheid het steeds moeilijker. Ten eerste heeft men een aantal bevoegdheden vrijwillig en in gezamenlijkheid overgedragen aan de Europese Unie. In het brede sociale domein kan men op centraal niveau een heleboel zaken niet meer effectief en efficiënt aanpakken en worden die beleidsproblemen over de heg gekieperd naar de gemeenten ,vergezeld met een kennismakingskorting. Die toenemende onmacht van de Nederlandse staat wordt dan gecompenseerd met stoere voornemens op het terrein van de openbare veiligheid. De bewindslieden Opstelten en Teeven geven om de dag ronkende persberichtjes uit om de indruk te wekken dat terstond de onveiligheid minder wordt. Grote gebaren , loze kreten en lege dozen , zo kunnen deze Haagse bestrijders van  Snuf en Snuitje gekenschetst worden.

Vandaar dat ik even Admiraal de Ruyter ten tonele voer, beroemd en berucht in de Gouden Eeuw . Zoon van een bierdrager , die opklom van scheepsjongen , matroos en stuurman en die uitgroeide tot de bekwaamste vlootstrateeg die Nederland ooit heeft gekend. Altijd een eenvoudige jongen gebleven die nota bene zelf zijn kajuit zwabberde. Er is onlangs een Engelstalige Biografie van de Ruyter verschenen.  “De Ruyter , Dutch Admiral “. In de NRC van 13 april j.l. stond een interessante recensie van dit boek , waarin onbekende aspecten van deze admiraal naar voren gebracht worden . Ik citeer:

“De Zweedse auteur Jan Glete stelt de vraag hoe het komt dat absoluut geregeerde monarchieën met een centraal bestuur en een veel grotere bevolking het telkens aflegden tegen dat schijnbaar bij elkaar geraapte zootje van zeven gewesten en vijf admiraliteiten (  Amsterdam, Rotterdam ,Enkhuizen / Hoorn , Zeeland ( Veere) en Friesland ( Harlingen ). Anders gezegd: waar haalde een federaal staatje als Nederland met nog geen twee miljoen inwoners de kracht vandaan om supermachten als Spanje , Frankrijk en Engeland te verslaan ? Hij stelt dat de Republiek verhoudingsgewijs meer mannen onder de wapenen hield  en veel meer schepen paraat had . Tevens toont de auteur aan dat de gedecentraliseerde  militaire organisatie veel dichter bij de bevolking stond en daarom snel op peil gebracht kon worden dankzij een efficiënte logistiek. Scheepsbouw, scheepsuitrusting en rekrutering verliepen geroutineerd , mede omdat ze geworteld waren in lokale organisaties. De tegenstanders waren groter en machtiger , maar het absolutistische staatsapparaat werkte met zijn bureaucratische organisatie log en traag. Die staten verkeerden bovendien in permanente geldnood, terwijl er hier snel en zonder veel gemor belasting werd geheven .De militaire organisatie stond dicht bij de bevolking. Het was eerder dankzij en niet ondanks het federale  systeem dat de Nederlandse slagkracht zo groot was. Daar kwam nog een eerder gunstig element bij. De zeelieden van de Nederlandse Admiraliteiten waren vrijwilligers. De haventaferelen van ronselaars die jongelieden dronken voerden kwamen hier niet voor. En die vrijwilligers namen  juist dienst omdat ze goed en regelmatig werden betaald en  goede scheepskost kregen. Ze wisten ook dat ze zouden dienen onder een charismatische vlootvoogd en onder een reeks zeer bekwame officieren, die grondig waren getraind en die de Ruyter in de strijd loyaal gehoorzaamden”. Einde citaat.

Laten we even de kernwoorden betreffende de Marine van de Ruyter op een rijtje zetten:

·       Decentrale aanpak

·       Voldoende personeel en materiaal

·       Dicht bij de bevolking

·       Efficiënte logistiek

·       Anti-bureaucratische organisatie

·       Positieve belastingmoraal

·       Vrijwillige manschappen , goede primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden

·       Charismatisch leider en sterk en loyaal kader

Voorwaar: de huidige overheid kan een lesje leren van een held van 350 jaar geleden. Lees dat boek , dames en heren politici !

 

Hans van Borselen , 28 april 2012 Omroep Odrie / Het Stellingwerfs Kabinet